Module 5 - UGent

De uitspraak van de Raad van State inzake het Tracébesluit A27/A12

Vragen van het lid Kröger (GroenLinks) aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat over de uitspraak van de Raad van State inzake het Tracébesluit A27/ A12. (ingezonden 19 juli 2019)     1. Bent u bekend met de uitspraak van de Raad van State inzake het Tracébesluit A27/A12? 1)   2. Deelt u de mening dat deze uitspraak een logisch gevolg is van de eerdere uitspraak over het Programmatische Aanpak Stikstof-stelsel (PAS-stelsel) en dat dit niet zozeer een juridisch probleem is, maar een consequentie van teveel stikstofemissies en te slechte natuurwaarden?   3. Deelt u de mening dat de oplossing dus moet worden gezocht in het snel verminderen van de emissies en concentraties totdat de natuur zich voldoende heeft hersteld? Zo ja, hoe gaat u dit aanpakken? Welke extra maatregelen worden overwogen?   4. Nu de verbreding van de snelwegen bij Utrecht en het toevoegen van extra wegverkeer voorlopig geen optie is vragen wij hierbij wat u gaat doen om de bereikbaarheid op een emissievrije manier te verbeteren? Komen alternatieve opties, zoals het verbeteren van het openbaar vervoer (ov) en de fietsinfrastructuur weer in beeld? Komen maatregelen, die de verkeergroei niet accommoderen, maar juist verminderen of spreiden, zoals rekeningrijden, weer in beeld?   5. Bent u bereid de verlaging van de snelheid op de ring Utrecht naar 80 km/u te overwegen, waarmee voldoende capaciteit binnen de huidige bak een optie is, conform de resultaten van extern onderzoek? 2)   6. Bent u bereid om op korte termijn wel te starten met de ‘minder hinder’-maatregelen, die voorzien waren voor tijdens de werkzaamheden, zoals bijvoorbeeld automobilisten te adviseren om -voor wie dat mogelijk is- op andere tijden te reizen, een alternatief vervoermiddel te kiezen of thuis te werken? Bent u bereid op korte termijn ook andere maatregelen te nemen die tijdens werkzaamheden vaak gebruikt worden om binnen de bestaande capaciteit doorstroming op peil te houden, zoals het verlagen van de snelheid en het versmallen van rijbanen? 3)   7. Welke voorbereidende werkzaamheden zijn inmiddels uitgevoerd? Heeft dit onherstelbare schade aan natuur en landschap aangericht? Worden deze voorbereidende werkzaamheden nu gestaakt? Wat hebben deze werkzaamheden en de totale voorbereiding van dit project tot nu toe gekost?   8. Wat gaat er met de voor dit project gereserveerde fondsen gebeuren? Worden deze toegevoegd aan de overschotten op de infrastructuurbegroting of ingezet voor projecten die niet voor meer luchtvervuiling zorgen?   9. Worden de onderdelen van het project die onomstreden zijn en waarvoor geen wijziging van het tracébesluit nodig is, zoals de natuurcompensatie of de betere geluidsschermen, wel uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?   10. Welke andere projecten die leiden tot extra stikstofemissies zijn nu in voorbereiding? Welke hiervan lopen eveneens het risico om door de uitspraak van de Raad van State te worden belemmerd? Ben u van plan dit risico voor elk project te nemen of gaat u de conclusies van deze zaak toepassen op alle lopende projecten?     1) https://www.raadvanstate.nl/@116513/201701683-6-r3/ 2) https://www.stopverbredingringutrecht.nl/wp-content/uploads/2016/04/Verkeerskundige-evaluatie-A27_190527.pdf 3) https://goedopweg.nl/projecten/minder-hinder
  Datum: 19 juli 2019   Nr: 2019Z15283   Indiener: Suzanne Kröger, Kamerlid GL   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Het bericht dat jeugdrechtadvocaten massaal overwegen piketdienst terug te schroeven

Vragen van het lid Raemakers (D66) aan de minister voor Rechtsbescherming over het bericht dat jeugdrechtadvocaten massaal overwegen piketdienst terug te schroeven. (ingezonden 26 juni 2019)   1. Kent u het bericht “Jeugdrechtadvocaten overwegen piketdienst terug te schroeven”? 1) 2. Bent u op de hoogte van de brandbrief die jeugdrechtadvocaten u over deze situatie gestuurd hebben? 2) 3. Bent u van mening dat goede rechtsbijstand van groot belang is, juist voor kwetsbare groepen zoals jongeren? 4. Bent u ook van mening dat de aanwezigheid van jeugdrechtadvocaten bij verhoren door de politie een belangrijk onderdeel is van deze goede rechtsbijstand, en dat piketdienst onmisbaar is? 5. In welke mate worden jongeren nu niet bij elk verhoor bijgestaan door jeugdrechtadvocaten? Hoe verhoudt dit zich tot de garanties rond het beschermen van een eerlijk proces dat artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens biedt? 6. Welke gevolgen zou het massaal terugschroeven van de piketdienst hebben voor jongeren en de hele rechtsketen? 7. Deelt u de mening van de jeugdstrafrechtadvocaten dat de vaste vergoeding per cliënt voor hun werkzaamheden van 150 euro nu niet meer in verhouding staat met hun tijdsinspanning en werkzaamheden? 8. Wat bent u voornemens te doen in het geval dat veel minder advocaten beschikbaar zijn voor de piketdienst en de Europese richtlijn dus overtreden dreigt te worden? 9. Herrinnert u zich uw brief van 8 november 2018 ‘Contouren herziening stelsel gesubsidieerde rechtsbijstand’ waarin u enkele pilots aankondigde, onder meer betreffende de verbinding tussen het sociaal en juridische domein en strafzaken? Wat is hiervan de stand van zaken en hoe zijn jeugdigen bij de invulling van deze pilots betrokken? 3) 1) Financieel Dagblad, 25 juni 2019, https://fd.nl/economie- politiek/1306002/jeugdrechtadvocaten-overwegen-en-masse-piketdienst-terug- te-schroeven 2) https://fiadvocaten.nl/wp-content/uploads/2019/06/Brandbrief- Jeugdadvocaten-Jeugdpiket.pdf 3) Kamerstuk 31753, nr. 155
  Datum: 26 juni 2019   Nr: 2019Z13443   Indiener: Rens Raemakers, Kamerlid D66   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Van Nispen over de pilot van Legal Guard en de overeenkomst met de Raad voor Rechtsbijstand

  Bij beantwoording de datum en ons kenmerk vermelden. Wilt u slechts één zaak in uw brief behandelen.   In antwoord op uw brief van 23 april 2019 deel ik u mee dat de schriftelijke Kamervragen van het lid Van Nispen (SP) over de pilot van Legal Guard en de overeenkomst met de Raad voor Rechtsbijstand, worden beantwoord zoals aangegeven in de bijlage bij deze brief.   De Minister voor Rechtsbescherming,   Sander Dekker   Antwoorden Kamervragen van het lid Van Nispen (SP) aan de Minister voor Rechtsbescherming over de pilot van Legal Guard en de overeenkomst met de Raad voor Rechtsbijstand (ingezonden 23 april 2019, nr. 2019Z08308)   Vraag 1   Herinnert u zich uw eerdere antwoorden op Kamervragen over de start van de pilot consumentenzaken met Legal Guard? 1)   Antwoord vraag 1 Ja   Vraag 2   Bent u bekend met het WOB-verzoek waarmee een kopie van de overeenkomst tussen Achmea en de Raad voor Rechtsbijstand is verkregen waarover ‘@strafarresten’ informatie op Twitter publiceerde? 2)   Antwoord vraag 2 Ja, hier ben ik van op de hoogte.   Vraag 3   Wat kost deze pilot in totaal en door wie worden deze kosten betaald?   Antwoord vraag 3   De kosten worden door de Raad voor Rechtsbijstand betaald. De totale kosten van de pilot zijn nog niet bekend, aangezien deze net is gestart. Wel heeft de Raad voor Rechtsbijstand in de door haar gesloten overeenkomst Pilot Consumentenrecht 2019-2020 (zie https://www.rvr.org/binaries/content/assets/rvrorg/informatie-over-de-raad/besluit-wob-verzoek-d.d.-12-april-2019.pdf); een vergoedingensystematiek met Legal Guard afgesproken, die er als volgt uit ziet:   De kosten per zaak zijn als volgt:   indien de diensten in maximaal 200 zaken worden verleend:   € 929,- per zaak;   indien de diensten in minimaal 201 tot ten hoogste 400 zaken worden verleend: € 703,- per zaak;   indien de diensten in minimaal 401 tot ten hoogste 600 zaken worden verleend: € 667,- per zaak;   indien de diensten in meer dan 600 zaken worden verleend: € 626,- per zaak.   Vraag 4   Kunt u uw antwoord nuanceren dat de klankbordgroep, die de pilot begeleidt, bestaat uit vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties in de consumentensector en de Nederlandse Orde van Advocaten, gelet op het feit dat de Nederlandse Orde van Advocaten zich haastte publiekelijk te melden geen deelnemer te zijn aan deze pilot (en slechts 1 beleidsmedewerker als waarnemer in de klankbordgroep te hebben), en de Consumentenbond heeft geweigerd zitting te nemen omdat zij de pilot ziet als bezuinigingsmaatregel waarvan onduidelijk is of die leidt tot een betere toegang tot het recht? Wat zegt dit volgens u?   Antwoord vraag 4   De Raad voor Rechtsbijstand heeft verschillende maatschappelijke organisaties benaderd voor deelname aan de klankbordgroep. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft aan de bestuurder van de Raad voor Rechtsbijstand laten weten als waarnemer aan de klankbordgroep deel te willen nemen. De Raad heeft ingestemd met deze waarnemersrol.   De Raad voor Rechtsbijstand betreurt het dat de Consumentenbond heeft geweigerd zitting te nemen in de klankbordgroep. Deelname aan de klankbordgroep biedt immers de mogelijkheid om in detail mee te kijken naar de pilot en deze te begeleiden. Daarnaast vraagt het lidmaatschap geen commitment van de leden ten aanzien van de uitkomsten van de pilot of mijn beleidsvoornemens. De Consumentenbond ziet dit anders. De Raad voor Rechtsbijstand respecteert de keuze van de Consumentenbond.   Vraag 5   Is bewust gekozen voor een maximum van 750 zaken vanwege het feit dat de pilot daarmee onder de aanbestedingsgrenzen zou vallen? Waarom wilde u deze pilot per se niet aanbesteden?   Antwoord vraag 5 De besluitvorming over het wel of niet aanbesteden van de pilot valt buiten mijn verantwoordelijkheid. De pilot is tot stand gekomen op initiatief van de Raad voor Rechtsbijstand en wordt onder de verantwoordelijkheid van de Raad voor Rechtsbijstand uitgevoerd. Het is echter juist dat de Raad voor Rechtsbijstand bewust heeft gekozen voor een maximum van 750 zaken. Het doel van de pilot is leerervaring opdoen met een aanbieder van juridische dienstverlening – in casu een rechtsbijstandverzekeraar – die geen deel uitmaakt van het huidige stelsel van rechtsbijstand. Om voldoende, significante data over de werkwijze van deze aanbieder te kunnen genereren, heeft de Raad voor Rechtsbijstand gekozen voor deze omvang van zaken in de pilot.   Vraag 6   Weet u zeker dat het initiatief voor deze pilot bij de Raad voor Rechtsbijstand lag en dit geen idee van Achmea was?   Antwoord vraag 6   Het contact tussen de Raad voor Rechtsbijstand en Achmea loopt al sinds 2016 toen de Raad voor Rechtsbijstand voornemens was om in hun Rechtwijzerapplicatie een platform te bouwen voor huurgeschillen. Dit is toen om diverse redenen niet doorgegaan. De Raad voor Rechtsbijstand heeft het contact met Achmea gehouden om te onderzoeken of er op een andere wijze samengewerkt kan worden rond gestandaardiseerde hulp. Gaandeweg is het idee voor een pilot op het gebied van het consumentenrecht ontstaan.   Vraag 7   Waarom vindt u het moeilijk een vergelijking te maken tussen de vergoeding die in deze pilot per zaak is afgesproken en de vergoeding die bij een vergelijkbare zaak aan een sociaal advocaat toekomt? Het klopt toch dat een bedrag van minimaal 626 euro per zaak wordt betaald, ook voor de zaken waarin heel weinig werk verricht hoeft te worden? Ook klopt het toch dat Legal Guard geen aanvullende proceshandelingen hoeft te verrichten en juristen in mag zetten die niet aan dezelfde opleidings- en kwaliteitseisen als sociaal advocaten hoeven te voldoen? Het is toch zo dat Legal Guard de proceskosten wederpartij en buitengerechtelijke incassokosten mag houden terwijl advocaten die procederen op toevoeging die af moeten dragen, en dat Legal Guard het voordeel heeft dat het geld aan het begin van de zaak wordt uitgekeerd terwijl sociaal advocaten daar vaak heel lang op moeten wachten? Erkent u inmiddels dat de vergoedingen aan Legal Guard hoger zijn en dat daarnaast betere voorwaarden gelden dan voor sociaal advocaten in vergelijkbare zaken?   Antwoord vraag 7   De Raad voor Rechtsbijstand betaalt geen forfaitaire vergoeding, maar een tarief op basis van de eerder genoemde staffel (zie antwoord vraag 3). Hierdoor kan ervaring worden opgedaan met een andere manier van bekostigen. De aanname is dat de meeste zaken via module 1 en 2 van het arrangement kunnen worden afgehandeld waardoor de kosten voor een groter volume (van 750 zaken) in beeld kunnen worden gebracht. Dat is een ander uitgangspunt dan de forfaitaire vergoeding en daardoor niet vergelijkbaar. Voor het nieuwe stelsel wil ik onderzoeken hoe er meer voor oplossingsrichtingen kan worden betaald in plaats van forfaitaire uren, zodat de oplossing meer centraal staat. Deze pilot doet daarmee een eerste ervaring op.   Voor wat betreft de opleidingseisen geldt dat de juristen van Legal Guard geen advocaat zijn; zij voldoen dan ook niet aan dezelfde opleidings-en kwaliteitseisen als sociale advocaten. De juristen van Legal Guard moeten voldoen aan de Kwaliteitscode Rechtsbijstand en de door de werkgever gestelde eisen.   Bij het nieuwe stelsel wil ik kwaliteitscriteria stellen aan pakketten/oplossingsrichtingen die voor de rechtshulp gelden ongeacht of die wordt verleend door een advocaat.   Wat betreft de proceskosten en buitengerechtelijke incassokosten is het inderdaad zo dat Legal Guard deze kosten mag houden. Het is eveneens juist dat het geld aan het begin van de zaak wordt uitgekeerd. Deze afspraken zijn door de Raad voor Rechtsbijstand in het kader van deze specifieke pilot gemaakt.   Vraag 8   Wat moet een rechtszoekende doen als het werk voor Legal Guard erop zit na het opstellen van één processtuk en één zitting, maar de zaak nog niet is afgerond? Moet dan alsnog een advocaat worden ingeschakeld en wat betekent dat dan voor de vergoeding voor de rest van het werk?   Antwoord vraag 8 De Raad voor Rechtsbijstand stelt zich op het standpunt dat burgers die aan de pilot deelnemen geen nadeel mogen ondervinden door deelname aan de pilot. Mocht een zaak niet kunnen worden afgerond binnen de dienstverlening van Legal Guard, dan kan de burger zich tot de Raad voor Rechtsbijstand wenden voor een reguliere toevoeging.   Vraag 9   Waarom vindt u het gerechtvaardigd dat rechtszoekenden bij sociaal advocaten hogere eigen bijdragen moeten betalen dan in deze pilot? Begrijpt u de opmerking dat dit een vorm van ‘concurrentievervalsing’ is?   Antwoord vraag 9 De Raad voor Rechtsbijstand heeft deze lagere bijdrage bepaald om deelname aan de pilot te stimuleren. De werkwijze in de pilot is ook voor rechtzoekenden iets nieuws en daarmee minder vertrouwd. De lagere eigen bijdrage is bedoeld om mensen te prikkelen om mee te doen met de pilot. Een dergelijke bepaling is mogelijk in de Wet op de rechtsbijstand. Ik verwijs u naar artikel 4 van het Besluit toevoeging mediation waarin ook voor mediation een dergelijke prikkel bestaat. De lagere bijdrage geldt in dit geval specifiek voor deze pilot en is daarom geen ‘concurrentievervalsing’. Het staat de rechtszoekende in een consumentengeschil vrij om deel te nemen aan de pilot of voor een reguliere toevoeging te kiezen.   Vraag 10   Kunt u uw antwoord op vraag 7 (1) nog eens bekijken, waarin u stelt dat de normen en eisen aan de juristen van Legal Guard gelijk zijn aan die voor advocaten werkzaam in de sociale advocatuur? Erkent u dat advocaten onder tuchtrecht staan en aan veel meer opleidings- en kwaliteitseisen gebonden zijn? Zo ja, waarom schrijft u dat dan niet op? Zo nee, kunt u aantonen dat de normen en eisen voor de juristen van Legal Guard hieraan gelijk zijn?   Antwoord vraag 10 U heeft gelijk dat advocaten onder tuchtrecht staan en de juristen bij Legal Guard die geen advocaat zijn, niet. Voor advocaten die in dienst zijn van Achmea gelden de Advocatenwet en tuchtrechtelijke gedragsregels.   De juristen van Legal Guard voldoen, voorzover van toepassing, aan de Kwaliteitscode Rechtsbijstand. Daarnaast heeft de Raad voor Rechtsbijstand in haar overeenkomst met Achmea serviceafspraken opgenomen over de dienstverlening van Legal Guard. Wat betreft klachten, klantsignalen en geschillen wordt de interne procedure van Achmea gehanteerd. De klachtenprocedure voldoet tenminste aan de Kifid-richtlijnen interne klachtprocedure. De Tuchtraad Assurantiën toetst bij klachten het handelen en/of nalaten van de rechtsbijstandsverzekeraar onder meer aan de Kwaliteitscode Rechtsbijstand.   Vraag 11   Waarom heeft de Raad voor Rechtsbijstand in deze overeenkomst de inspanningsverplichting op zich genomen om deze pilot zichtbaar te ondersteunen, te promoten en waar mogelijk van alle vormen van aandacht te voorzien? Waarom kan Achmea niet voor zichzelf reclame maken?   Antwoord vraag 11 Om voldoende significante data voor een evaluatie te genereren, is het van belang dat er voldoende zaken in de pilot worden behandeld. De Raad voor Rechtsbijstand heeft daarom de inspanningsverplichting op zich genomen om de pilot zichtbaar te ondersteunen. De Raad voor Rechtsbijstand wil via het Juridisch Loket, Rechtwijzer.nl en door het informeren van ketenpartners bekendheid voor de pilot genereren. Afhankelijk van de instroom van zaken behoudt de Raad voor Rechtsbijstand zich het recht voor om andere middelen in te zetten. Daarbij laat de Raad voor Rechtsbijstand weten dat niet gedacht moet worden aan commerciële reclamecampagnes.   Vraag 12   Waarover is precies geheimhouding tussen Legal Guard en de Raad voor Rechtsbijstand afgesproken?   Antwoord vraag 12 Er is geheimhouding afgesproken over de vaste projectkosten en gegevens die herleidbaar zijn tot personen werkzaam bij de Raad voor Rechtsbijstand en Legal Guard, of betrokken bij de pilot.   Vraag 13   Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?   Antwoord vraag 13 Ja.   1) Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018-2019, nr. 2325.   2) https://twitter.com/strafarresten/status/1118795250682802176   VERTROUWELIJK  
  Datum: 11 juni 2019   Nr: 2019D24194   Indiener: S. Dekker, minister voor Rechtsbescherming   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Kerstens over het bericht dat dagbesteding voor gehandicapten onder druk staat (ingezonden 4 april 2019)

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het Kamerlid Kerstens (PvdA) over het bericht dat dagbesteding voor gehandicapten onder druk staat (ingezonden 4 april 2019)(2019Z06717).   Hoogachtend,   de minister van Volksgezondheid,   Welzijn en Sport,   Hugo de Jonge   Antwoorden op Kamervragen van het Kamerlid Kerstens (PvdA) over het bericht dat dagbesteding voor gehandicapten onder druk staat (ingezonden 4 april 2019).   1   Heeft u kennisgenomen van het bericht ‘Dagbesteding gehandicapten sterk onder druk’ 1) als ook van het daaraan ten grondslag liggende rapport ‘Keuze in dagbesteding’ van Ieder(in), KansPlus en het Landelijk Steunpunt Medezeggenschap 1) ?   1.   Ja.   2   Herkent u het signaal dat steeds minder sprake is van variatie (en dus keuze) in het aanbod van dagbesteding als ook van alternatieven?   3   Herkent u de conclusie van het artikel en het onderzoek dat sluiting van voorzieningen, reorganisaties en bezuinigingen de beschikbaarheid en kwaliteit van dagbesteding in de gehandicaptenzorg sterk onder druk zetten? Zo ja, wat wilt u doen om daar verbetering in aan te brengen?   2 en 3.   Het rapport beschrijft de uitkomsten van een onderzoek in 2016 en 2017 naar de ervaringen van circa 100 mensen (cliënten of hun naasten/vertegenwoordigers) met de dagbesteding die hen op grond van de Wet langdurige zorg wordt verstrekt. Respondenten geven aan dat er veranderingen in de dagbesteding hebben plaatsgevonden. Over die veranderingen is ongeveer een kwart van de ondervraagden ronduit positief, ruim 20% is blij met de huidige dagbesteding met kanttekeningen, circa 25% is tevreden maar denkt dat het nog beter kan en ruim een kwart is ontevreden over de huidige dagbesteding.   Geconstateerd wordt dat circa de helft van de geïnterviewden te maken heeft gehad met een noodgedwongen wijziging in hun dagbesteding, omdat het aanbod van de zorgaanbieder veranderde.   Met de vernieuwing van de langdurige zorg is geen afbreuk gedaan aan het uitgangspunt dat mensen die zijn aangewezen op zorg, deze ook moeten krijgen. Die zorg dient optimaal aan te sluiten op de zorgvraag van de individuele cliënt, zijn omstandigheden en persoonlijke voorkeuren. De wetgeving biedt hiertoe de waarborgen. Het belang van een doelmatige uitvoering van zorg en ondersteuning met het oog op de houdbaarheid van het stelsel, doet niets aan die waarborgen af. Verandering in de wijze waarop mensen dagbesteding als voorziening ervaren kan verband houden met de doorontwikkeling van deze voorziening in de tijd. Het is belangrijk om veranderingen zo goed als mogelijk aan te laten sluiten op de zorgvraag van betrokkene en deze daaraan voorafgaand in dialoog voldoende helder te krijgen, zodat ontevredenheid over de verstrekte voorziening wordt voorkomen.   Met betrekking tot het specifieke punt over het vervoer naar de dagbesteding merk ik nog op dat per 1 januari 2019 het vervoersbudget in de Wlz, naar aanleiding van signalen over ontoereikende tarieven, met € 75 miljoen is verhoogd. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft op hetzelfde moment ook de beleidsregels, de voorwaarden om dit vervoer te kunnen declareren, verduidelijkt.   In de praktijk bleek deze verduidelijking niet het juiste effect te hebben en leidde deze tot - volgens de aanbieders- tot een verenging van de declaratiemogelijkheden. Om die reden heb ik onlangs de NZa gevraagd de beleidsregels aan te passen zodat de continuïteit van vervoer naar de dagbesteding, in afwachting van een structurele oplossing, alsnog kan worden geborgd. Einde van dit jaar kom ik met een voorstel voor een toekomstbestendig en doelmatig beleid voor vervoer naar de dagbesteding Wlz.   4   Herkent u de stelling uit het artikel en het onderzoek dat daar waar sprake is van ‘nieuwe dagbesteding’ cliënten daarin niet of nauwelijks inspraak hebben (gehad), laat staan dat sprake is (geweest) van een eigen keuze hetgeen wel zou (hebben ge-) moeten? Wat vindt u daarvan en (ervan uitgaande dat u het ermee eens is dat dat geen goede zaak is) op welke wijze zou een en ander kunnen worden verbeterd?   5   Onderschrijft u de aanbevelingen uit voornoemd rapport? Zo ja, welke en tot welke actie van uw kant gaan die leiden?   4 en 5.   De kern van de aanbevelingen uit het rapport betreft het bevorderen van de zeggenschap en eigen regie van cliënten. Ik onderschrijf dit uitgangspunt volmondig. Meer maatwerk, zorg die zo goed mogelijk aansluit bij de vraag en kenmerken in de betreffende situatie was en is het leidende uitgangspunt in de vernieuwing van de langdurige zorg. Dit maatwerk vraagt om een goede, evenwichtige dialoog tussen mensen met een beperking, hun naasten en de professional. Goede voorlichting en informatie over de mogelijkheden in aanbod en de inzet van onafhankelijke cliëntondersteuning kunnen daaraan een belangrijke bijdrage leveren.   In een tijd waarin ook de zorgvraag van mensen aan het veranderen is, vraagt deze relatie bij alle betrokkenen om hun volle en blijvende aandacht. Ik erken dat de uitvoering op dit punt nog stappen kan en moet maken. Het SCP heeft in het evaluatieonderzoek naar de Hervorming van de langdurige zorg ook hierop gewezen. Juist met het oog hierop zijn diverse trajecten gestart gericht op verbetering.   Met het programma Onbeperkt Meedoen wordt in de actielijn Zorg & Ondersteuning gewerkt aan het verbeteren van de toegang tot zorg en ondersteuning. Er worden regiosessies georganiseerd waarin wordt ingezet op het verbeteren van het toegangsproces, vakmanschap en het herkennen en erkennen dat sommige problematiek levenslang en levens breed is. Daarnaast zijn extra middelen beschikbaar gesteld voor de lokale versterking van de onafhankelijke cliëntondersteuning. Beide ontwikkelingen dragen bij aan het vergroten van de regie en zeggenschap van cliënten.   Ook met het programma Zorg voor de jeugd wordt, in de geest van de wet, gericht gewerkt aan het versterken van de regie en zeggenschap van cliënten en/of hun ouders. Samen met OCW, VNG en Iederin wordt gewerkt aan een voorstel voor een escalatiemodel waar jeugdigen en hun ouders terecht kunnen als zij vastlopen in het zorgstelsel.   In het programma Volwaardig Leven wordt samen met cliëntvertegenwoordigers, aanbieders, professionals en ook zorgkantoren ingezet op meer toekomstbestendige gehandicaptenzorg. In dit programma is naast talentontwikkeling van mensen met een beperking ook de verbetering van de cliëntondersteuning een belangrijk onderdeel. Cliënten leren verwoorden wat ze willen, of komen erachter welke activiteit bij hen past. Hiermee wordt actief bijgedragen aan het vergroten van de regie en zeggenschap van deze doelgroep.     1) https://www.skipr.nl/actueel/id38007-dagbesteding-gehandicapten-sterk-onder-druk.html?utm_medium=email&utm_source=2019-04-03_20190403%20skipr%20daily%20nieuwsbrief&utm_campaign=NB_SKIPR   2) https://www.kansplus.nl/wp-content/uploads/2019/03/Rapport-dagbesteding_webversie.pdf  
  Datum: 6 mei 2019   Nr: 2019D18499   Indiener: H.M. de Jonge, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

De rol van verzekeraars, Achmea in het bijzonder, bij het proces tot stelselherziening rechtsbijstand en de invloed op het ministerie

Vragen van het lid Van Nispen (SP) aan de minister voor Rechtsbescherming over de rol van verzekeraars, Achmea in het bijzonder, bij het proces tot stelselherziening rechtsbijstand en de invloed op het ministerie (ingezonden 8 februari 2019)   1 Sinds wanneer bent u op de hoogte van het feit dat verzekeraars er op uit zijn ook op andere manieren dan slechts op verzekeringsbasis rechtshulp te verlenen? 2 Heeft u kennisgenomen van het paper van het Verbond van Verzekeraars over de toekomst van rechtsbijstandsverzekeringen uit 2017 waarin reeds geconcludeerd wordt dat: “alleen rechtsbijstand blijven verlenen op basis van de traditionele rechtsbijstandverzekering is onvoldoende om in 2025 nog een grote rol te spelen bij de toegang tot het recht. Er zijn nieuwe producten, maar zeker ook nieuwe vormen van juridische dienstverlening nodig.”? 1) 3 Heeft u, dan wel uw ministerie, contact gezocht met Achmea voor het vormgeven van de pilot met consumentenrechtelijke geschillen of heeft Achmea met u, dan wel uw ministerie contact opgenomen? Als u contact heeft gezocht met Achmea, waarom heeft u dit specifiek met Achmea gedaan? Als Achmea contact heeft gezocht met u, dan wel uw ministerie, wanneer vond dit eerste contact dan plaats? 4 Hoe vaak heeft u gesprekken gehad met verzekeraars, en Achmea in het bijzonder, sinds uw aantreden, en waarover gingen deze gesprekken? 5 Welke rol ziet u voor verzekeraars, en Achmea in het bijzonder, in het nieuwe stelsel van rechtsbijstand? 6 In welk opzicht is de pilot voor consumentenrechtelijke geschillen van de raad voor rechtsbijstand met LegalGuard anders dan de manier waarop LegalGuard zelf reeds haar commerciële bedrijf voert? Als er geen verschil is, waarom noemt u dit dan toch een pilot? 7 Wat vindt u zelf van het feit dat u eerst een reclamefilmpje maakte voor Achmea, daarna met uw contourennota voor de rechtsbijstand de rode loper uitrolde voor verzekeraars in het stelsel voor rechtsbijstand en weer daarna, nog voordat het debat met de Kamer was afgerond, een onderdeel van Achmea al de eerste opdracht gaf om te gaan experimenteren binnen de door u vastgestelde contouren? 8 Klopt het dat verzekeraars steeds meer en intensiever samenwerken met het ministerie, zoals te lezen valt op de website van het Verbond van Verzekeraars? 2)   9 In hoeverre komen de vijf aanbevelingen de voorzitter van het Platform Rechtsbijstand, zoals hij deze deed tijdens het rondetafelgesprek gesubsidieerde rechtsbijstand, overeen met uw plannen zoals geformuleerd in de contourennota herziening stelsel gesubsidieerde rechtsbijstand? 3) 10 Klopt het dat het Platform Rechtsbijstand van het Verbond voor Verzekeraars het ministerie helpt bij de beantwoording van Kamervragen, zoals valt te lezen op haar website? Zo ja, hoe vaak en bij welke vragen is dat precies gebeurd en tot welke wijzigingen heeft dat geleid? Heeft zij ook geholpen bij het beantwoorden van de vragen over het verspreiden van een filmpje over een commerciële verzekeraar? 4) 11 Wat vindt u van deze steeds groter wordende invloed van verzekeraars op het ministerie en op het stelsel van rechtsbijstand, zeker ook gezien in samenhang met het feit dat (sociaal) advocaten aangeven zich niet door u gehoord te voelen? 12 Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden? 1) Verbond van Verzekeraars, “De toekomst van de rechtsbijstandsverzekeraar: hoe ziet deze er uit in 2025?”, 2017; https://www.verzekeraars.nl/media/4760/popa-rb-defintief.pdf 2) https://www.verzekeraars.nl/publicaties/longreads/de-toekomst-van-de- rechtsbijstandverzekeraar 3) Kamerstuk 31753, nr. 150. 4) Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018-2019, nr. 112
  Datum: 8 februari 2019    Nr: 2019Z02477    Indiener: Michiel van Nispen, Kamerlid SP
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Beckerman over de rechterlijke uitspraak dat de inkomensgrens voor sociale huur omhoog kan

Vragen van het lid Beckerman (SP) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de rechterlijke uitspraak dat de inkomensgrens voor sociale huur omhoog kan. (ingezonden 28 november 2018)   Vraag 1   Kent u de uitspraak van het Europees Gerechtshof in de zaak van vier woningcorporaties tegen de Europese Commissie dat de inkomensgrens voor sociale huur omhoog kan? 1) 2)   Antwoord 1   Ja, ik ken de uitspraak. Ik deel niet uw conclusie dat de inkomensgrens voor de sociale huur omhoog kan.   Vraag 2   Welke lessen of conclusies trekt u uit het feit dat Nederland slechts een afbakening van de doelgroep voor sociale huur hoefde te geven, wat door Nederland zelf is vertaald in een inkomensgrens? Deelt u de mening dat hier een verkeerde interpretatie is gemaakt en kunt u uw antwoord toelichten?   Antwoord 2   Nederland had geen volledige vrijheid bij de voorstellen. De Europese Commissie (EC) moest instemmen met de voorstellen en daarvoor was een duidelijk afbakening van de doelgroep nodig. Bij het vormgeven van een duidelijke definitie voor sociale huisvesting in Nederland was door de Europese Commissie nadrukkelijk gewezen op haar besluit Housing Finance Agency (HFA, Ierland) dat onder andere een inkomenseis stelt en waarbij de Europese Commissie had vastgesteld dat de sociale rechtvaardiging van de Ierse DAEB-status was gebaseerd op strengere criteria dan in het Nederlandse stelsel werd toegepast. Als het gaat om een dienst van algemeen economisch belang waarbij compensatie wordt gegeven vanwege sociale doelstellingen, moet er sprake zijn van een afgebakende groep. De regels over diensten van algemeen economisch belang spreken over huisvesting voor “achterstandsgroepen of sociaal kansarme groepen die, door solvabiliteitsbeperkingen, geen huisvesting tegen marktvoorwaarden kunnen vinden”. Het stellen van een inkomensgrens bleek het enige middel om deze groep objectief af te bakenen.   Vraag 3   Hoe oordeelt u over de woorden van uw voorganger, de heer Donner, die als minister in antwoord op Kamervragen schreef: “(…) zou in feite neerkomen op een verhoging van de inkomensgrens van € 33.614,- maar dan voor huishoudens met meerdere inkomens. Een dergelijke maatregel kan ik niet uitvoeren binnen de beschikking van de Europese Commissie”, wat een onjuistheid was en is? 3)   Antwoord 3   Ik acht dit antwoord op de vraag of slechts één inkomen kon worden beoordeeld bij het toewijzen van een woning aan een meerpersoonshuishouden nog steeds valide. Het beperkt meetellen van een inkomen bij een meerpersoonshuishouden zou een andere invulling van de beschikking van de Europese Commissie betekenen, terwijl die beschikking (zoals nogmaals bevestigd door het Gerecht) rechtsgeldig is en daarvan niet zomaar kan worden afgeweken.   Vraag 4   De inkomensgrenzen voor sociale huur in Frankrijk en Oostenrijk liggen hoger, maar hoe hoog zijn deze precies, en hoe verhoudt dit gegeven zich tot de krappe Nederlandse inkomensgrenzen?   Antwoord 4   In Frankrijk en Oostenrijk zijn geen universele inkomensgrenzen die zich laten vergelijken met de Nederlandse inkomensgrens: er is tevens differentiatie naar regio en huishoudenssamenstelling. Vaak spelen ook andere lokaal bepaalde criteria een rol bij inkomensgrenzen en woningtoewijzing, vergelijkbaar met urgentie.   In tegenstelling tot in Nederland, zijn Oostenrijkse sociale huurwoningen vaak eigendom van een overheid of van een organisatie die zich het best laat vergelijken met een wooncoöperatie. In Frankrijk en Oostenrijk is soms sprake van projectsteun bij nieuwbouw waarna de huurprijs wordt gebaseerd op de resterende kostprijs in plaats van op woningwaarde. In Nederland bestaat de staatssteun ook uit gunstiger financieringsvoorwaarden op portefeuilleniveau, en daarmee ook voor bestaande woningen. Bovendien is de omvang van de sociale sector en het aandeel huishoudens dat in aanmerking komt voor een sociale huurwoningen in Nederland in verhouding relatief groot.   De verschillen tussen Frankrijk, Oostenrijk en Nederland zijn de aanleiding voor een verschil in voorwaarden waaronder sprake is van geoorloofde staatssteun.   Vraag 5   Bent u bereid de inkomensgrenzen voor sociale huur te verhogen en te kiezen voor een andere en bredere afbakening van de doelgroep voor sociale huurwoningen, zodat onder meer tweedeling in wijken kan worden voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?   Antwoord 5   Het toewijzen van sociale huurwoningen aan een bredere doelgroep is reeds mogelijk binnen de tijdelijk verruimde toewijzingsregel, waarmee 20% sociale huurwoningen kunnen worden toegewezen aan huishoudens met een inkomen boven € 38.035 waarvan de helft aan huishoudens met een inkomen boven de € 42.436. Daarnaast kunnen corporaties vanuit de niet-DAEB-tak de woningvoorraad differentiëren en middeninkomens huisvesten.     Vraag 6   Welke gevolgen heeft de jarenlange onjuiste interpretatie van verschillende kabinetten van de beschikking van de Europese Commissie, gebaseerd op het argument “het moet van Europa”, voor andere adviezen, beschikkingen of richtlijnen die vanuit Europa naar Nederland zijn gekomen? Kunt u uw antwoord toelichten?   Antwoord 6   Ik deel uw mening niet dat er jarenlang sprake was van een onjuiste interpretatie van de beschikking van de Europese Commissie. De voorstellen waarmee de Europese Commissie uiteindelijk kon instemmen, inclusief de inkomensgrens, zijn door de Europese Commissie vastgelegd in haar beschikking. In haar uitspraak heeft het Gerecht bevestigd dat deze rechtsgeldig zijn. De regering is dan ook gehouden de beschikking uit te voeren.   Vraag 7   Kunt u uw interpretatie van de Europese richtlijn over ATAD in het licht van de rechterlijke uitspraak uitleggen? Anders gesteld: gaat u uw mening bijstellen en woningcorporaties uitzonderen van het betalen van deze anti-belastingontwijkingsrichtlijn? Kunt u uw antwoord uitleggen, omdat de staatssecretaris van Financiën eerder stelde: “het EU-recht zoals wij dat zien”? 4)   Antwoord 7   Deze rechterlijke uitspraak heeft geen betrekking op ATAD en geeft geen reden om de implementatie van de Richtlijn (EU) 2016/1164[1] (ATAD1) en de toelichting bij het implementatiewetsvoorstel ATAD1 (Kamerstukken II 2018-2019, 35 026, nr.38) te herzien.     Vraag 8   Bent u samen met uw collega op Financiën bereid om in gesprek te gaan met de Europese Commissie over het uitzonderen van woningcorporaties van de earningsstrippingmaatregel, aangezien u bij deze richtlijn ook een interpretatie hanteert zijnde “het mag niet van Europa”, terwijl dat een foutieve interpretatie kan zijn, zoals ook bij de inkomensgrens is gebeurd? Kunt u uw antwoord toelichten?   Antwoord 8   Zoals volgt uit het antwoord op vraag 6 en 7, geeft deze rechterlijke uitspraak geen aanleiding om in gesprek te gaan met de Europese Commissie over het uitzonderen van woningcorporaties van de earningsstrippingmaatregel.     1) https://www.woonbond.nl/nieuws/inkomensgrens-sociale-huur-kan-omhoog   2) http://ec.europa.eu/competition/state_aid/cases/197757/197757_1155868_173_2.pdf   3) Antwoord op vragen van het lid Karabulut (SP) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het feit dat 300 000 gezinnen klem zitten door de inkomensgrens voor sociale huurwoningen (ingezonden 7 december 2011). https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/kamervragen/detail?id=2011Z25372&did=2011D62630   4) Stenogram Pakket Belastingplan 2019 + Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking, 14 november 2018
  Datum: 19 februari 2019    Nr: 2019D07057    Indiener: K.H. Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

De last onder dwangsom werkgeversportaal UWV

Vragen van de leden Van der Molen, Pieter Heerma en Van den Berg (allen CDA) aan de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de last onder dwangsom werkgeversportaal UWV(ingezonden 5 februari 2019)   1 Kunt u bevestigen dat de Unieke Zorgverlener Identificatie (UZI-pas) zal worden gecontinueerd als apart sectoraal eID-middel voor beroepen in de gezondheidszorg? 2 Bent u voornemens om gebruik te maken van de mogelijkheid in de aanstaande Wet digitale overheid om voor een welbepaalde doelgroep (BIG- geregistreerden) af te wijken van de acceptatieplicht van de generieke elektronische identificatiemiddelen? 3 Klopt het bericht, dat wanneer er sprake is van een apart sectoraal eID- stelsel voor toegang tot gezondheidsgegevens, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) voor het vaststellen van het betrouwbaarheidsniveau, niet alleen naar de generieke Handreiking ‘Betrouwbaarheidsniveaus voor digitale dienstverlening, een handreiking voor overheidsorganisaties, versie 4’ van Forum Standaardisatie moet kijken, maar ook naar de sectorale norm van VWS als vastgelegd in het ‘Onderzoek betrouwbaarheidsniveau patiëntauthenticatie bij elektronische gegevensuitwisseling in de zorg’ (mei 2016, bijlage bij Kamerstuk 26 643, nr. 419)? 4 Kunt u bevestigen dat in dit onderzoek wordt gesteld dat, wanneer zonder twijfel vastgesteld kan worden dat er sprake is van gezondheidsgegevens, inzage in het burgerservicenummer (BSN) en toepasselijkheid van het medisch beroepsgeheim geldt: Betrouwbaarheidsniveau Hoog eIDAS? 5 Heeft het UWV nieuw onderzoek gedaan en is daarbij vastgesteld dat er sprake is van het beschikbaar stellen, verwerken, muteren en of inzage van gezondheidsgegevens via het werkgeversportaal? 6 Kunt u bevestigen dat het beschikbaar stellen, verwerken, muteren en of inzage van gezondheidsgegevens niet per se leidt tot een verschil in het vereiste betrouwbaarheidsniveau? Heeft het UWV hiermee rekening gehouden bij het vaststellen van het betrouwbaarheidsniveau? 7 Klopt het dat het UWV na de risicoanalyse in 2015 geen nieuwe risicoanalyse heeft uitgevoerd en dat het werkgeversportaal nog altijd eHerkenning niveau 3 (Betrouwbaarheidsniveau Substantieel eIDAS) voorschrijft om de door de Autoriteit Persoonsgegevens opgelegde dwangsom te voorkomen?   8 Kunt u bevestigen dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) in alinea 57 van het rapport ‘Last onder dwangsom UWV werkgeversportaal’ 1) suggereert dat het UWV mogelijk bezig is met een implementatie van een middel met een te laag betrouwbaarheidsniveau (“Het had dan ook op de weg van het UWV gelegen om de reeds in 2015 uitgevoerde risicoanalyse opnieuw uit te voeren aan de hand van de meest recente versie van de Handreiking. Door dit niet te doen ontstaat het risico dat aan het einde van de implementatietermijn van, in dit geval, eHerkenning, mogelijk geen sprake (meer) is van een passend beveiligingsniveau”)? Zo ja, deelt u de mening dat het voorsorteren van het UWV op de Wet digitale overheid door eHerkenningsmiddelen voor te schrijven op een verkeerd niveau voor werkgevers kan leiden tot een investering in de verkeerde middelen? 9 Is in het geval dat het UWV het verkeerde betrouwbaarheidsniveau voorschrijft aan werkgevers de dienst aansprakelijk voor kosten van een herstelactie door werkgevers die eHerkenningsmiddelen moeten omruilen en/of upgraden? Zo ja, kunt u dan een inschatting maken van de hoogte van de kosten? Zo nee, waarom niet? 10 Hoeveel eHerkenningsmiddelen moeten er in totaal worden aangeschaft door werkgevers om de huidige geautoriseerde medewerkers toegang te geven tot het werkgeversportaal? 11 Deelt u de mening dat deze casus aantoont dat er sprake is van een veel te lage inschatting van de financiële lasten voor bedrijven, zoals gesteld op bladzijde 49-50 van de memorie van toelichting van de Wet digitale overheid (Kamerstuk 34 972, nr. 3)? Zo ja, hoe groot moeten dan de financiële lasten voor de bedrijven worden ingeschat? Zo nee, waarom niet? 12 Is het waar dat medewerkers verzuimbeheersing van het UWV zelf voor de verwerking van de persoons- en gezondheidsgegevens, UZI-passen moeten gebruiken om te voldoen aan de bevindingen uit het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens inzake de verwerking persoonsgegevens door UWV? 2) 13 Kunt u bevestigen dat in de Wet-BIG wordt geregeld, dat ook bij het UWV voor de verwerking van gezondheidsgegevens de UZI-pas gebruikt moet worden nu dit sectorale eID-middel door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gecontinueerd zal worden? 14 Zouden arbo- en bedrijfsartsen en/of verzuimmedewerkers van werkgevers daardoor niet eHerkenning maar de UZI-pas dienen te gebruiken voor online toegang tot het werkgeversportaal? 15 Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg over SUWI op 20 februari 2019? 1) https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/sites/default/files/atoms/files/last_o nderdwangsom_uwv_werkgeversportaal.pdf 2) https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/sites/default/files/01_rapport_db_uwv arbotaak_ziektewet_5102017_def.pdf
  Datum: 5 februari 2019    Nr: 2019Z02027    Indiener: Harry van der Molen, Kamerlid CDA
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Het definitieve energielabel voor woningen

Vragen van de leden Smeulders (GroenLinks) en Nijboer (PvdA) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het definitieve energielabel voor woningen (ingezonden 10 oktober 2018) 1 Kent u de uitzending van het tv-programma Radar over het definitieve energielabel voor woningen? 1)   2 Deelt u de opvatting dat het belangrijk is dat mensen kunnen vertrouwen op de juistheid van het definitieve energielabel dat ze van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ontvangen? Zo nee, waarom niet?   3 Bent u tevreden over het functioneren van het huidige energielabelsysteem? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?   4 Hoeveel definitieve energielabels zijn er in 2015, 2016, 2017 en tot nu toe in 2018 verstrekt?   5 Hoeveel Energieprestatieadvies-adviseurs (EPA-adviseurs) zijn er op dit moment gemachtigd om een energielabel te verstrekken?   6 Op welke manier wordt gecontroleerd of de EPA-adviseurs hun werk naar behoren doen? Hoeveel controles zijn er in 2015, 2016, 2017 en tot nu toe in 2018 in dit kader uitgevoerd? En hoeveel boetes zijn er opgelegd?   7 Hoe beoordeelt u het feit dat mensen, waarvoor het definitieve energielabel achteraf niet blijkt te kloppen, het gevoel hebben dat zij van het kastje naar de muur worden gestuurd? Hoe kan dit gevoel bij mensen worden weggenomen?   8 Waarom kan iemand met een klacht over het definitieve energielabel niet bij de geschillencommissie terecht? Bent u bereid om te bezien of dit in de toekomst alsnog mogelijk is? Zo nee, waarom niet?   9 Kunt u in algemene zin aangeven wie aansprakelijk is voor eventueel geleden schade wanneer achteraf blijkt dat een definitief energielabel niet blijkt te kloppen? Kunt u daarbij ook specifiek ingaan op de rol die de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) hierbij heeft?   10 Hoe kan het dat er zoveel beunhazen actief zijn? Deelt u de mening dat men voor 10 euro geen fatsoenlijke analyse van de energieprestaties van een woning kan verwachten? Waarom zijn deze zogenaamde energiedeskundigen überhaupt gecertificeerd? Dit ondermijnt toch het draagvlak voor duurzaamheidsmaatregelen?   11 Waarom is het geen praktijk - net als in andere Europese landen - dat, zeker voor de hogere labels, iemand thuis komt inspecteren?   12 Wat is de actuele stand van zaken voor wat betreft de inbreukprocedure van de Europese Commissie tegen Nederland ten aanzien van de Europese richtlijn energieprestatie gebouwen (EPBD-richtlijn)?   13 Wat vindt u van de kritiek dat het stelsel onvoldoende functioneert en de vergelijking met de Europese autotests: op papier rijden de auto’s 1 op 20, in de praktijk wordt 1 op 14 nauwelijks gehaald?   14 Kent u het Onderzoek voor de gebouwde omgeving (OTB-onderzoek) waaruit blijkt dat het werkelijk energiegebruik bij de hogere A en B labels veel hoger ligt dan verwacht en dat het omgekeerde geldt voor de lagere labels? Bent u bereid het systeem zo aan te passen dat meer gekeken wordt naar het werkelijke, in plaats van het theoretische energieverbruik van een woning?   15 Wat gaat u doen om het vertrouwen van mensen in het energielabelsysteem te vergroten? 1) OTB studie: http://www.otb.tudelft.nl/fileadmin/Faculteit/BK/Over_de_faculteit/Afdelinge n/OTB/publicaties/Rapporten/2014_OTB-TU-Delft-Relatie-tussen-energielabel- en-werkelijk-energiegebruik.pdf
  Datum: 10 oktober 2018    Nr: 2018Z18057    Indiener: Paul Smeulders, Kamerlid GL
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van de leden Smeulders en Nijboer over het definitieve energielabel voor woningen

Vragen van de leden Smeulders (GroenLinks) en Nijboer (PvdA) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het definitieve energielabel voor woningen (ingezonden 10 oktober 2018)   1. Kent u de uitzending van het tv-programma Radar over het definitieve energielabel voor woningen?   Antwoord 1 Ja   2. Deelt u de opvatting dat het belangrijk is dat mensen kunnen vertrouwen op de juistheid van het definitieve energielabel dat ze van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ontvangen? Zo nee, waarom niet?   Antwoord 2 De Rijksoverheid geeft geen energielabels af, maar registreert deze. De betrouwbaarheid van de in de database van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) geregistreerde energielabels moet uiteraard wel zo hoog mogelijk zijn. Op 25 oktober 2017 is een rapport verschenen[1] over de betrouwbaarheid van het vereenvoudigd energielabel. Zie ook antwoord op vraag 5 van het lid Kops (PVV) kenmerk 2018Z17639.   3. Bent u tevreden over het functioneren van het huidige energielabelsysteem? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?   Antwoord 3 Het vereenvoudigd energielabel is in 2015 op verzoek van de Kamer geïntroduceerd om de administratieve lasten en de complexiteit van het aanvragen van het energielabel voor de burger te verminderen. Het vereenvoudigde energielabel voor woningen voldoet als bewustwordingsinstrument. Uit gegevens van de Inspectie Leefomgeving en Transport blijkt dat tegenwoordig bij ongeveer 90% van de woningverkopen een energielabel wordt overlegd door de verkoper aan de koper. Dit hoge nalevingspercentage stemt tot tevredenheid en is voor mij een indicatie dat het registreren van een vereenvoudigd energielabel laagdrempelig en betaalbaar is. De energie-index is uitgebreider en nauwkeuriger en werkt naar behoren als instrument om de energieprestatie van een woning te onderbouwen bij de koppeling aan een financiële regeling, zoals het Woningwaarderingsstelsel en de STEP-regeling. Hoewel het energielabelsysteem voor deze twee doeleinden naar behoren functioneert, is de vraag legitiem of het onderscheid tussen een vereenvoudigd en uitgebreide methode ook voor de toekomst gewenst is en houdbaar. Zie ook het antwoord op vraag 15. Daarnaast verdient het handhavingsinstrumentarium aandacht en verbetering. Tot voor kort werd als handhavingsinstrument de last onder dwangsom ingezet, een herstelsanctie. Deze last onder dwangsom werd opgelegd aan woningeigenaren die hun woning hadden verkocht zonder een geldig energielabel. Zij kregen de mogelijkheid om achteraf alsnog een energielabel voor de verkochte woning te registreren. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 17 oktober jl. een uitspraak gedaan, waarin gesteld wordt dat er geen juridische grondslag is om een dergelijke last onder dwangsom toe te passen. De last onder dwangsom wordt daarom niet langer opgelegd. Momenteel bekijk ik wat de gevolgen van de uitspraak zijn voor de handhaving. Ik onderzoek daarbij of de bestuurlijke boete ingezet kan worden als alternatief voor de last onder dwangsom.   4. Hoeveel definitieve energielabels zijn er in 2015, 2016, 2017 en tot nu toe in 2018 verstrekt?   Antwoord 4 In de onderstaande tabel is het aantal geregistreerde energielabels vanaf 2015 aangegeven. In totaal, dus vanaf de introductie van het energielabel eind 2007, is voor ruim 3,6 miljoen woningen in Nederland een energielabel geregistreerd.   | |Vereenvoudigd |Energielabel op | | |energielabel (VEL) |basis van | | | |energie-index (EI) | |2015 |283.900 |172.900 | |2016 |242.000 |245.600 | |2017 |237.000 |343.500 | |2018 (t/m |161.000 |333.500 | |september) | | |   5. Hoeveel Energieprestatieadvies-adviseurs (EPA-adviseurs) zijn er op dit moment gemachtigd om een energielabel te verstrekken?   Antwoord 5 Er zijn bijna 900 erkend deskundigen actief, een groot deel daarvan is ook EPA-adviseur. Er is een verschil tussen EPA-adviseurs en erkend deskundigen. Het bepalen van energie-indexen gebeurt door een EPA-adviseur. Om EPA-adviseur te worden moet een bewijs van vakbekwaamheid worden behaald volgens BRL 9500-01. Bij het laten registreren van een vereenvoudigd energielabel via www.energielabelvoorwoningen.nl worden de door de woningeigenaar ingevoerde woningkenmerken en bewijsstukken gecontroleerd door een erkend deskundige. Er zijn twee manieren om erkend deskundige te worden: op basis van het bewijs van vakbekwaamheid als EPA-adviseur of door het succesvol afleggen van het examen 'Erkend Deskundige Energielabel Woningbouw'.   6. Op welke manier wordt gecontroleerd of de EPA-adviseurs hun werk naar behoren doen? Hoeveel controles zijn er in 2015, 2016, 2017 en tot nu toe in 2018 in dit kader uitgevoerd? En hoeveel boetes zijn er opgelegd?   Antwoord 6 In de beantwoording van deze vraag ga ik in op de controles op het werk van de erkend deskundigen, omdat de vorige vragen betrekking hadden op het vereenvoudigd energielabel voor woningen. Voor de controles op het werk van de EPA-adviseurs verwijs ik naar de beantwoording van de vragen 4 en 5 van het lid Van Eijs met kenmerknummer 2018Z18413. De Inspectie Leefomgeving en Transport voert steekproefsgewijs controles uit op de dossiers die door de erkend deskundigen zijn behandeld. Het aantal controles is in de onderstaande tabel te vinden. Wanneer fouten worden ontdekt, kan de ILT een bestuurlijke boete opleggen aan de erkend deskundige. De hoogte van de boete is afhankelijk van het aantal gemaakte fouten. Tot nu toe zijn er 134 boetebeschikkingen opgelegd.   |Inspectieronde |Aantal erkend |Totaal aantal | | |deskundigen |onderzochte | | | |dossiers | |Ronde 1 |200 |1571 | |(energielabels afgemeld | | | |in periode januari 2015 –| | | |mei 2016) | | | |Herinspectie ronde 1 |60 |639 | |(energielabels afgemeld | | | |in periode januari 2017 –| | | |augustus 2017) | | | |Ronde 2 |200 |1144 | |(energielabels afgemeld | | | |in periode maart 2017 – | | | |november 2017) | | | |Ronde 3 |390 |2248 | |(energielabels afgemeld | | | |in periode maart 2017 – | | | |maart 2018) | | |   7. Hoe beoordeelt u het feit dat mensen, waarvoor het definitieve energielabel achteraf niet blijkt te kloppen, het gevoel hebben dat zij van het kastje naar de muur worden gestuurd? Hoe kan dit gevoel bij mensen worden weggenomen?   Antwoord 7 Ik vind het vervelend om te horen dat mensen dit gevoel hebben. Het is niet een signaal dat mij vaak bereikt, maar ik ga bezien op welke manier de communicatie richting kopers en verkopers van woningen verder verbeterd kan worden.   8. Waarom kan iemand met een klacht over het definitieve energielabel niet bij de geschillencommissie terecht? Bent u bereid om te bezien of dit in de toekomst alsnog mogelijk is? Zo nee, waarom niet?   Antwoord 8 Een erkende deskundige moet op grond van het consumentenrecht voorzien in een klachtenregeling.   9. Kunt u in algemene zin aangeven wie aansprakelijk is voor eventueel geleden schade wanneer achteraf blijkt dat een definitief energielabel niet blijkt te kloppen? Kunt u daarbij ook specifiek ingaan op de rol die de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) hierbij heeft?   Antwoord 9 Dat hangt van de omstandigheden af en de vraag door wiens toedoen een verkeerd label is afgegeven. De woningeigenaar is verantwoordelijk voor de invoer van de juiste woningkenmerken en de bewijzen daarvan. De erkend deskundige is verantwoordelijk voor het controleren van de juistheid van de door de woningeigenaar ingevulde woningkenmerken en aangeleverde bewijsstukken. Wanneer een energielabel niet blijkt te kloppen kan de opdrachtgever, de eigenaar van de woning, de erkend deskundige die de gegevens en bewijsstukken heeft gecontroleerd hierop aanspreken. Het energielabel is geen besluit in de zin van Algemene wet bestuursrecht. Het staat daarmee niet open voor bezwaar en beroep. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) registreert de energielabels in de database. RVO.nl is niet aansprakelijk voor de juistheid van de energielabels.   10. Hoe kan het dat er zoveel beunhazen actief zijn? Deelt u de mening dat men voor 10 euro geen fatsoenlijke analyse van de energieprestaties van een woning kan verwachten? Waarom zijn deze zogenaamde energiedeskundigen überhaupt gecertificeerd? Dit ondermijnt toch het draagvlak voor duurzaamheidsmaatregelen?   Antwoord 10 Zoals ik eerder aangaf is het registreren van het vereenvoudigd energielabel op verzoek van de Kamer zo laagdrempelig en goedkoop mogelijk gehouden. Bij het vereenvoudigd energielabel is het aantal handelingen dat de erkend deskundige moet uitvoeren beperkt. De erkend deskundige moet de tien door de woningeigenaar ingevoerde woningkenmerken en het aangeleverde bewijs controleren. Doordat het toetsen van het bewijs door de erkend deskundige volledig digitaal wordt uitgevoerd en het systeem “dwingend” is ingericht, is de benodigde tijd voor het beoordelen van het bewijs relatief beperkt. Het bepalen van de hoogte van de prijs voor de geleverde dienst is aan de erkend deskundige zelf.   11. Waarom is het geen praktijk - net als in andere Europese landen - dat, zeker voor de hogere labels, iemand thuis komt inspecteren?   Antwoord 11 In Nederland is een onderscheid gemaakt tussen het vereenvoudigd energielabel en de energie-index. Bij het vereenvoudigd energielabel is geen huisbezoek nodig. Het is een bewustwordingsinstrument dat een indicatie geeft van de energieprestatie van de woning. Het vereenvoudigd energielabel is betrouwbaar, maar minder nauwkeurig. Voor het bepalen van een energie-index is wel een huisbezoek nodig, onafhankelijk van de labelklasse. De energie-index is nauwkeuriger en wordt gevraagd wanneer aan de energieprestatie van een woning een financiële regeling gekoppeld is, zoals bij het Woningwaarderingsstelsel en de STEP- subsidie.   12. Wat is de actuele stand van zaken voor wat betreft de inbreukprocedure van de Europese Commissie tegen Nederland ten aanzien van de Europese richtlijn energieprestatie gebouwen (EPBD-richtlijn)?   Antwoord 12 Op 16 juli 2018 heeft Nederland een reactie aan de Europese Commissie gestuurd op het Met Redenen Omkleed Advies. Op 20 augustus 2018 heb ik de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over de hoofdlijnen van deze reactie (Kamerstuk 30 196, nr. 609). De Europese Commissie is de Nederlandse reactie op dit moment nog aan het bestuderen. Op basis van de reactie kan de Europese Commissie besluiten de inbreukprocedure verder voort te zetten of te beëindigen. Ik zal uw Kamer op de hoogte houden van de ontwikkelingen in deze procedure.   13. Wat vindt u van de kritiek dat het stelsel onvoldoende functioneert en de vergelijking met de Europese autotests: op papier rijden de auto’s 1 op 20, in de praktijk wordt 1 op 14 nauwelijks gehaald?   14. Kent u het Onderzoek voor de gebouwde omgeving (OTB-onderzoek[2]) waaruit blijkt dat het werkelijk energiegebruik bij de hogere A en B labels veel hoger ligt dan verwacht en dat het omgekeerde geldt voor de lagere labels? Bent u bereid het systeem zo aan te passen dat meer gekeken wordt naar het werkelijke, in plaats van het theoretische energieverbruik van een woning?   Antwoord 13 en 14 Ja, ik ken het onderzoek. Ik wil opmerken dat de bepaling van de energieprestatie van gebouwen, die de basis vormt van zowel het energielabel als bewijs dat aan energetische eisen in de regelgeving wordt voldaan, niet het daadwerkelijk energiegebruik aangeeft. De bepaling van het energiegebruik van gebouwen geeft het gebouwgerelateerde energiegebruik aan, dus de energie die nodig is om het gebouw te verwarmen, te koelen, te ventileren en het energiegebruik voor warmtapwater. Het energiegebruik van bewoners, zoals de energie voor de koelkast en overige apparatuur wordt niet meegerekend. Verder wordt, conform de eisen van de Europese richtlijn energieprestatie gebouwen (EPBD), uitgegaan van een normaal gebruik onder standaard-aannamen. Door bovengenoemde uitgangspunten wijkt de theoretisch berekende energieprestatie af van het werkelijke energiegebruik “op de meter”. Bij de ontwikkeling van de nieuwe bepalingsmethode voor de energieprestatie van gebouwen (NTA 8800) die per 2020 in werking zal treden, heb ik meegegeven dat deze beter moet aansluiten bij de gemiddelde werkelijkheid dan de huidige bepalingsmethoden (NEN 7120 en Nader Voorschrift). Ook bij de NTA 8800 wordt, conform de Europese richtlijn, alleen het gebouwgerelateerde energiegebruik onder normaal gebruik en standaard- aannamen bepaald.   15. Wat gaat u doen om het vertrouwen van mensen in het energielabelsysteem te vergroten?   Antwoord 15 Ik vind het van belang dat er vertrouwen is in het energielabelsysteem. Aan energielabels wordt in het economische verkeer een steeds grotere waarde toegekend, en naarmate de betekenis van het energielabel voor de woningwaarde en voor de nog te nemen verduurzamingsmaatregelen toeneemt, stijgt het belang van de nauwkeurigheid van het energielabel. Dit is voor mij aanleiding om de communicatie over het onderscheid tussen vereenvoudigd energielabel en de energie-index, als uitgebreidere en nauwkeuriger methode, te verbeteren. Tevens zal ik meer ten principale bezien of (op termijn) het vereenvoudigd energielabel kan vervallen. Ik zal dit betrekken bij de introductie van de nieuwe bepalingsmethode voor de energieprestatie van gebouwen (NTA 8800) die ook van invloed is op de wijze waarop zowel het vereenvoudigd energielabel als de energie-index tot stand komt.   [1] Onderzoek betrouwbaarheid energielabel https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2017/10/25/rapport- %CB%9Donderzoek-betrouwbaarheid-energielabel%CB%9D [2] OTB studie: http://www.otb.tudelft.nl/fileadmin/Faculteit/BK/Over_de_faculteit/Afdelinge n/OTB/publicaties/Rapporten/2014_OTB-TU-Delft-Relatie-tussen-energielabel- en-werkelijk-energiegebruik.pdf
  Datum: 16 november 2018    Nr: 2018D54982    Indiener: K.H. Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Özdil over de inventarisatie 'Hypotheek en Studieschuld' van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO)

Vragen van het lid Özdil (GroenLinks) aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de inventarisatie ‘Hypotheek en Studieschuld’ van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) (ingezonden 3 september 2018)   Vraag 1   Bent u bekend met de inventarisatie ‘Hypotheek en Studieschuld’ van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) van 27 augustus jl.? 1)   Antwoord vraag 1:   Ja.   Vraag 2   Bent u bekend met de aangenomen motie Koolmees/Schouten 2), waarin wordt verzocht om hypotheekverstrekkers de actuele studieschuld te laten meerekenen bij een hypotheekaanvraag?   Antwoord vraag 2:   Ja.   Vraag 3   Hoe verklaart u dat hypotheekverstrekkers, ondanks de aangenomen motie, toch standaard de oorspronkelijke hoogte van de studieschuld gebruiken?   Antwoord vraag 3:   De inkomensnormen in de Regeling hypothecair krediet bepalen hoeveel een huishouden maandelijks maximaal kan uitgeven aan hypotheeklasten. De lasten die een consument maandelijks kwijt is aan overige verplichtingen, zoals het afbetalen van een studieschuld, worden in mindering gebracht op dit bedrag en hebben dus invloed op de hoogte van de maximale hypotheek. Bij het bepalen van de hoogte van de financiële maandlast van de studieschuld is de actuele hoogte van de studieschuld in principe niet relevant. De studieschuld wordt namelijk terugbetaald aan de hand van een annuïtaire aflossing. Een kenmerk hiervan is dat de maandlasten gedurende de hele terugbetaaltermijn, bij gelijkblijvende rente, constant blijven. Het maakt, los van rentewijzigingen of extra aflossingen, dus geen verschil voor de maandlasten of een oud-student recent is begonnen met afbetalen of bijvoorbeeld al tien jaar aan het afbetalen is.   Indien er tussentijds extra wordt afgelost op de studielening kan dat wel van invloed zijn op het bij de studielening horende maandbedrag. Naar aanleiding van de motie Koolmees-Schouten heeft Nibud onderzocht in hoeverre een overgang naar de actuele maandlasten wenselijk is. De conclusie van dit onderzoek was dat het beter is om gebruik te maken van wegingsfactoren, wat inhoudt dat de maandlasten van een krediet waarmee rekening moet worden gehouden, met een vast percentage per kredietsoort worden berekend. Reden hiervoor is onder meer dat dan ook rekening gehouden wordt met eventuele toekomstige rentestijgingen. Het is dus niet zo dat kredietverstrekkers die niet uitgaan van de actuele maandlast van de studieschuld, zich niet aan de gemaakte afspraken houden. In reactie op de uitkomst van het Nibud onderzoek heeft de regering aangekondigd dat bij vervroegde aflossing en bij nog maar korte resterende looptijd, gebruik kan worden gemaakt van de zogeheten explainmogelijkheden. Door gebruik te maken van een explain (een uitzondering) in de regeling hypothecair krediet kan een kredietverstrekker, indien verantwoord, een ruimer krediet verstrekken dan op basis van de hypothecaire leennormen is toegestaan. Wij hebben geen signalen dat aanbieders verkeerd omgaan met deze explain. Op het volgende Platform Hypotheken in 2019, waar met de sector en de toezichthouder wordt gesproken over mogelijke knelpunten in de hypotheekverstrekking, zal worden geïnventariseerd op welke wijze aanbieders gebruik maken van deze explainmogelijkheid en of hier knelpunten worden ondervonden.   Vraag 4   Bent u bereid om met de Nederlandse Vereniging van Banken strikte afspraken te maken – en indien nodig de regelgeving te wijzigen - over het proactief hanteren van de actuele studieschulden?   Antwoord vraag 4:   Zie vraag 3. Het overleg hierover heeft plaatsgevonden, zowel in 2014 ten tijde van de wet studievoorschot, als naar aanleiding van de motie Koolmees-Schouten in 2015. Bij het verstrekken van een hypothecair krediet dient de kredietverstrekker op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft) informatie over de financiële positie van de consument in te winnen om overkreditering van de consument te voorkomen. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de financiële verplichtingen die een consument heeft. Hier vallen ook studieschulden onder. In de regelgeving is niet specifiek voorgeschreven op welke wijze studieschulden meegewogen moeten worden bij het bepalen van de maximale hypotheek. Dit wegingspercentage is door de sector zelf, in overleg met de toezichthouder AFM en de ministeries van Financiën, BZK en OCW, door middel van zelfregulering tot stand gekomen.   Bij studieleningen die zijn aangegaan vóór het studievoorschot, bedraagt de wegingsfactor 0,75% van de hoofdsom. Voor studieschulden aangegaan onder het studievoorschot is in 2014 besloten om, vanwege de lagere maandlasten door de socialere terugbetaalvoorwaarden, de wegingsfactor op 0,45% vast te stellen. De wegingsfactor waarmee studieleningen worden meegewogen is daarmee significant lager dan bij consumptief krediet, waarvoor wordt uitgegaan van een wegingsfactor die 2% van de hoofdsom bedraagt. Het verschil tussen de wegingsfactoren weerspiegelt het sociale karakter van studieleningen.   Wij hebben geen signalen dat aanbieders verkeerd omgaan met deze explain. Tijdens het volgende Platform Hypotheken, waar met de sector en de toezichthouder wordt gesproken over mogelijke knelpunten in de hypotheekverstrekking, zal worden geïnventariseerd op welke wijze aanbieders gebruik maken van deze explain-mogelijkheid en of hier knelpunten worden ondervonden.   Vraag 5   Deelt u de mening dat de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) studenten moet voorlichten over de consequenties van het aangaan van studieschulden? Zo ja, hoe beoordeelt u de uitspraak van woordvoerder Tea Jonkman dat voorlichting geen taak is voor DUO (“dat is niet aan ons”)? Zo nee, waarom niet?   Antwoord vraag 5:   Ja, ik reken het tot mijn verantwoordelijkheid om studenten goed voor te lichten over de consequenties van het aangaan van studieschulden. Verbetering van de voorlichting aan studenten is een doorlopend proces. Op de website van DUO stond al uitleg over hoe studieschulden meewegen bij hypotheekverstrekking. In reactie op de berichtgeving is de vindbaarheid van deze informatie verbeterd, door bij de pagina’s over lenen en over terugbetalen een link naar die informatie toe te voegen. In aanvulling hierop gaan we in overleg met het NIBUD om te bezien hoe verbetering van de voorlichting op dit onderwerp kan worden vormgegeven. We zullen daarbij ook het zogeheten jongerenpanel van DUO betrekken zodat we borgen dat de voorlichting ook aansluit bij de doelgroep. Ook www.rijksoverheid.nl bevat factsheets over studieleningen en hypotheekverstrekking.   Vraag 6   Kunt u uitleggen waar de huidige wegingsfactor van 0,45% (en 0,75% voor studenten van voor 2015) bij het aanvragen van een hypotheek op is gebaseerd?   Antwoord vraag 6:   De wegingsfactor is berekend op basis van de toen geldende gemiddelde rentes over de afgelopen jaren en de looptijden die voor studieleningen onder de verschillende stelsels geldt. De rente op studieleningen in de terugbetaalfase wordt elke vijf jaar herzien. Door gebruik te maken van een wegingsfactor, hangt de hypotheek die de oud-student krijgt, niet af van de rente waar hij of zij op dat moment mee te maken, wat tot onrechtvaardige verschillen tussen groepen zou leiden.   Vraag 7   Deelt u de mening dat het aangaan van een studieschuld fundamenteel anders is dan het aangaan van andere vormen van krediet? Bent u bereid in kaart te brengen wat het verlagen van de wegingsfactor van 0,45% en 0,75% bij studieschulden voor consequenties met zich mee brengt?   Antwoord vraag 7:   Een studieschuld is wezenlijk anders dan het aangaan van andere vormen van krediet. Een investering in een studie verdient zichzelf doorgaans ruimschoots terug. En mocht dat onverhoopt niet het geval zijn, wordt bij terugbetaling van de studieschuld niet alleen gekeken naar de hoogte van de schuld en de stand van de rente, maar ook naar het inkomen van de oud-student. Die bescherming bieden andere vormen van krediet doorgaans niet. Bij consumptieve leningen wordt uitgegaan van 2% van het oorspronkelijke kredietbedrag bij het bepalen van de maximale hypotheek. Tegelijkertijd is ook een studieschuld een langjarige verplichting die meegewogen moet worden om verantwoorde hypotheekverstrekking mogelijk te maken. Naar aanleiding van de motie Koerhuis onderzoekt Nibud momenteel of het wenselijk is om de wegingsfactoren te verlagen. De resultaten van het onderzoek worden meegenomen in het Nibud-advies voor de leennormen in 2019. Uw Kamer zal hier dan ook over geïnformeerd worden.   1) http://www.iso.nl/website/wp-content/uploads/2018/08/Hypotheek-Studieschuld-ISO-Augustus-2018.pdf   2) Kamerstuk 34 300-XVIII, nr. 23  
  Datum: 28 september 2018    Nr: 2018D46650    Indiener: I.K. van Engelshoven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van de leden Van Weyenberg, Bergkamp en Sneller over het bericht dat de Nederlandse cultuur rond vrouwemancipatie en deeltijdwerken achterhaald is

Vragen van de leden Van Weyenberg, Bergkamp en Sneller (allen D66) aan de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Financiën over het bericht dat de Nederlandse cultuur rond vrouwemancipatie en deeltijdwerken achterhaald is. (ingezonden 19 oktober 2018)   Vraag 1 Bent u bekend met het bericht ‘Doorbreek achterhaalde Nederlandse cultuur rond vrouwenemancipatie en deeltijdwerken’? 1)   Ja.   Vraag 2 Herkent u het beeld dat vrouwen die extra uren willen werken, die uren niet krijgen als ze ernaar vragen? Wat zou de reden kunnen zijn dat dit voornamelijk speelt in sectoren als de zorg en het onderwijs? Wanneer kunnen nieuwe cijfers worden verwacht over het inwilligen van verzoeken van uitbreiding van de arbeidsduur uit het arbeidsvraagpanel?   Vraag 3 Herkent u het beeld dat voor werkgevers deeltijdwerkende vrouwen soms ‘handig’ blijken omdat ze flexibeler inzetbaar zijn in vooral ondersteunende en uitvoerende functies? Speelt dit meer in specifieke sectoren dan in andere? Hoe kan het dat deze vraag in Nederland wel voorkomt, terwijl dit in het buitenland geen rol lijkt te spelen?   Antwoord vraag 2 en 3 Het CBS gaf eerder dit jaar aan dat er 400.000 mensen, waarvan circa twee derde vrouwen, meer uren willen werken. Dit geeft aan dat er ruimte is voor werkgevers om het arbeidspotentieel beter te benutten. Opvallend is dat het aantal deeltijdwerkers vooral in de sectoren onderwijs en zorg hoog is, terwijl daar tegelijk een tekort aan arbeidskrachten speelt. De verschillen met het buitenland wijzen erop dat het werken in deeltijd in de zorg en het onderwijs niet inherent is aan het type werk. Het is echter niet geheel duidelijk wat de redenen zijn dat in Nederland in het algemeen en in de sectoren zorg en onderwijs in het bijzonder zoveel in deeltijd wordt gewerkt.   Uitgangspunt voor het kabinet is dat mensen niet worden belemmerd in hun loopbaan of in hun keuze van het aantal uren werken. Zoals blijkt uit de cijfers van het CBS, zijn het in de praktijk relatief vaak vrouwen die belemmeringen ontmoeten bij het verkrijgen van meer uren werk. Werkgevers hebben daarbij een belangrijke rol. Het kan niet zo zijn dat we enerzijds mensen nodig hebben, terwijl het anderzijds niet lukt om de mensen die beschikbaar zijn volledig in te zetten.   Het kabinet heeft opdracht gegeven tot een interdepartementaal beleidsonderzoek deeltijdwerk (IBO Deeltijdwerk). In dit IBO zal gekeken worden naar de oorzaken van het vele deeltijdwerken in Nederland, met onder meer aandacht voor de onderwijs- en zorgsector, en zullen beleidsopties ontwikkeld worden voor de verschillende visies die men kan hebben ten aanzien van deeltijdwerk.   Het SCP publiceert eens in de twee jaar het arbeidsvraagpanel, waarin aandacht wordt besteed aan het aantal verzoeken van uitbreiding van arbeidsduur. Het volgende zal begin 2020 gepubliceerd worden.   Vraag 4 Deelt u de mening dat de huidige personeelstekorten in sommige sectoren kansen bieden voor vrouwen die meer uren willen werken? Op welke manier komt het bevorderen van grotere deeltijdbanen terug in de verschillende actieprogramma’s om krapte te bestrijden?   Vraag 7 Wat zou de overheid mogelijk kunnen doen om grotere deeltijdbanen verder te bevorderen?   Antwoord vraag 4 en 7 Ja, wij delen de mening dat de huidige krapte kansen biedt aan mensen die meer willen gaan werken. Het kabinet stimuleert mensen op verschillende manieren om meer te gaan werken. Het kabinet stelt onder meer voor het maximum van de arbeidskorting te verhogen, de arbeidskorting over een langer inkomenstraject op te laten lopen en steiler af te bouwen. Deze maatregel is erop gericht de marginale druk op het inkomenstraject tussen het minimumloon en een modaal inkomen te verlagen. Ook wordt de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting beperkt. Door deze aanpassingen in het fiscale stelsel wordt werken meer lonend. Daarnaast zal het kabinet volgend jaar 248 miljoen euro investeren in de kinderopvangtoeslag en zal het geboorteverlof voor partners worden verlengd naar zes weken (1 week vanaf 1 januari 2019, 6 weken vanaf 1 juli 2020).   In de praktijk is er vooral ruimte bij vrouwen om het aantal uren uit te breiden. We nemen deze maatregelen omdat we vrouwen gelijke kansen willen bieden, we hen hun potentie willen laten benutten en hun economische zelfstandigheid willen vergroten. Én omdat vrouwen die meer uren gaan werken een bijdrage leveren aan de economische groei, de houdbaarheid van de welvaartsstaat en de bestrijding van tekorten op de arbeidsmarkt.   Omdat de zorg en het onderwijs er ook in internationaal opzicht uitspringen qua deeltijdwerk, hebben we in de aanpak voor die sectoren expliciet aandacht voor het uitbreiden van het aantal uren als bijdrage aan de aanpak van tekorten. In de kamerbrief van 24 augustus 2018 over extra acties tegen het lerarentekort[1] is het vergroten van de deeltijdfactor een van de instrumenten om het lerarentekort te verminderen. Besturen dienen in gesprek te gaan met leraren om ze optimaal in te kunnen zetten. In het kader van het Actieprogramma Werken in de Zorg[2] gaan we met deze opgave aan de slag in het actie-leer-netwerk. Daarin zal onder andere een gezaghebbende deskundige als ambassadeur worden aangesteld om de beweging op gang te krijgen.   Het kabinet heeft voorts opdracht gegeven tot het IBO Deeltijdwerk, waarin beleidsopties ten aanzien van deeltijdwerk worden geschetst (zie beantwoording vragen 2 en 3).   Vraag 5 Bent u in gesprek met sociale partners over het aanbieden van meer uren in kraptesectoren en het inwilligen van verzoeken? Zo ja, wat is tot nu toe de uitkomst van deze gesprekken?   Vraag 6 Wat zouden sociale partners mogelijk concreet kunnen doen om grotere deeltijdbanen te bevorderen?   Antwoord vraag 5 en 6 Het kabinet is voortdurend met sociale partners in gesprek over de werking van de arbeidsmarkt en de vraag wat verschillende partijen kunnen doen om die werking te verbeteren. In het kader van de aanpak van krapte op de arbeidsmarkt hebben het kabinet en de sociale partners met elkaar gesproken. Naast het verhogen van de arbeidsparticipatie, innovatie, opleiden, en betere matching, kan ook het uitbreiden van het aantal uren dat mensen werken een bijdrage leveren.   De combinatie van arbeid- en zorg is hierbij een belangrijk onderwerp. Uit onderzoek van het SCP[3] blijkt dat 79% van de werkgevers zich verantwoordelijk voelt voor een goede combinatie tussen arbeid- en zorgtaken voor hun werknemers. Uit cao-onderzoeken blijkt dat hierover ook specifieke afspraken worden gemaakt. Zo valt 24 procent van de werknemers onder een cao met afspraken over gedeeltelijke doorbetaling tijdens ouderschapsverlof[4]. Het aanbieden van flexibiliteit kan ook een belangrijke rol spelen. In de zorg biedt bijvoorbeeld 68 procent van de organisaties flexibele werktijden aan.   Het is moeilijk om aan te geven wat de concrete resultaten zijn van gesprekken met sociale partners. Het vaststellen van het aantal uren werk gebeurt uiteindelijk namelijk tussen individuele werknemer en werkgever. De toenemende krapte zal er waarschijnlijk wel toe leiden dat in die gesprekken verzoeken tot uitbreiding vaker worden geaccommodeerd of dat werkgevers hier vaker op aan zullen sturen.   In het IBO Deeltijdwerk zal ook gekeken worden naar de rol van sociale partners en individuele werkgevers.   Vraag 8 Deelt u de mening van de heer Putters dat de hoeveelheid vrouwen die in deeltijd werken, terwijl zij meer uren zouden willen werken, ten koste gaat van economische groei? Herkent u het door McKinsey berekende bedrag van 100 miljard euro meer bruto binnenlands product (bbp) wanneer vrouwen evenveel uren zouden werken als vrouwen in de best presterende West-Europese landen 2)?   Antwoord vraag 8 Ja, het klopt dat het meer uren werken van vrouwen de economische groei ten goede zou komen. Het is een belangrijke bron voor een toename van de koopkracht en leidt tot meer belasting- en premieontvangsten.   Er zijn vele neveneffecten en kostenposten te verwachten bij het vergroten van de deeltijdfactor van vrouwen. Deze zijn niet meegenomen in het onderzoek van McKinsey, waardoor niet zeker vast te stellen valt wat precies het gunstige netto-effect op het bbp zou zijn. Dit laat onverlet dat het kabinet verwacht dat het effect op de economische groei positief zal zijn.   Vraag 9 Is in het bedrag van 100 miljard euro bbp ook het effect meegenomen dat dochters van werkende moeders later zelf succesvoller zijn op de arbeidsmarkt en eerder terechtkomen in leidinggevende functies, zoals De Vries beargumenteerd 3)? Bent u ook van mening dat wanneer beide ouders werken dit een belangrijke voorbeeldrol heeft voor kinderen? Herkent u dat dit een positief effect kan hebben op het aantal vrouwen in leidinggevende functies?   Antwoord vraag 9 Met u zijn we van mening dat werkende ouders een belangrijke voorbeeldrol hebben voor kinderen. Onderzoek van Van Putten (2009)[5] wijst uit dat vrouwen die zijn opgegroeid met een werkende moeder gemiddeld meer uren werken dan vrouwen die zijn opgegroeid met een thuismoeder. Ook blijkt dat de vroege verdeling van huishoudelijk werk tussen ouders tot voorbeeld dient voor de latere taakverdeling tussen volwassen kinderen en hun partners.   Een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen heeft inderdaad als gevolg dat de kans wordt vergroot dat zij in topposities terecht komen. Overigens zal een eventuele vergroting van de arbeidsparticipatie niet voldoende zijn. De verhoudingen tussen het aantal vrouwen op de arbeidsmarkt en het aantal vrouwen in topposities is momenteel dermate scheef, dat hierop gericht actie nodig is door bedrijven.De berekening van McKinsey houdt geen rekening met dergelijke lange termijneffecten. De rekensom houdt alleen rekening met het aantal gewerkte uren, het aantal werkende personen en de verdeling over sectoren.   Vraag 10 Wat zouden mogelijkheden kunnen zijn om jonge ouders beter te informeren over de voordelen van een werkende moeder en wat een jonge moeder inlevert door parttime te gaan werken? Zijn er andere gedragswetenschappelijke inzichten die kunnen worden benut om een meer gelijke positie op de arbeidsmarkt te bewerkstelligen?   Antwoord vraag 10 We informeren jonge ouders op verschillende manieren over de voordelen van een gelijke arbeid- en zorgverdeling. Zo heeft het ministerie van OCW vorig jaar de WerkZorgberekenaar laten ontwikkelen om de financiële voordelen van een gelijkere verdeling van werk inzichtelijk te maken. Door arbeidskortingen en toeslagen kan het gezinsinkomen stijgen wanneer werkuren gelijker worden verdeeld tussen de minstverdienende en de meestverdienende partner.   Daarnaast heeft het ministerie van SZW sinds vorige maand de bewustwordingscampagne Zijnjullieeraluit.nl gelanceerd. Met deze campagne worden (aankomende) ouders gestimuleerd om met elkaar in gesprek te gaan over een toekomstbestendige verdeling van taken. De periode rondom de geboorte van het eerste kind is een cruciaal moment waarop ouders een beslissing nemen over de verdeling arbeid en zorg. Deze beslissing is vaak bepalend voor de taakverdeling op lange termijn. Uit onderzoek blijkt dat veel ouders deze beslissing impliciet en zonder nadrukkelijk overleg nemen en vaak terugvallen in een meer traditionele verdeling van taken.   Het ministerie van SZW is ook bezig met het opzetten van een campagne om werkgevers bewust te maken van de voordelen van zorgvriendelijk werkgeverschap. Verder zijn de ministeries van SZW en OCW dit jaar themapartner van het Nederlands Debatinstituut. Teams van het vmbo-, mbo-, en havo/vwo-scholen zullen onder andere debatteren over stellingen op het gebied van de verdeling van werk en zorgtaken. Het doel is om de leerlingen actief te laten nadenken over de manier waarop keuzes die zij nu – wellicht automatisch en onbewust – maken, doorwerken in hun kansen op de arbeidsmarkt.   In het IBO Deeltijdwerk zal ook gekeken worden naar beleidsopties op basis van gedragswetenschappelijke inzichten. Er wordt onder andere gekeken naar de motieven van vrouwen en mannen om in voltijd of juist in deeltijd te werken en hoe afwijkende voorkeuren, instituties en sociale normen kunnen verklaren dat deeltijdwerk in Nederland veel populairder is dan in andere landen.   Vraag 11 Klopt het dat vrouwen in veel gevallen nog steeds minder betaald worden dan mannen? Neemt het kabinet, buiten het actieplan arbeidsmarktdiscriminatie, ook maatregelen om ongelijke beloning te voorkomen? Bent u bereid om te blijven monitoren in hoeverre de beloning voor gelijkwaardig werk ook gelijkwaardiger wordt? Zijn er recente cijfers beschikbaar over het beloningsverschil?   Antwoord vraag 11 Het klopt helaas dat er nog steeds een loonkloof is tussen vrouwen en mannen. Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek over 2008–2014[6] blijkt wel dat het beloningsverschil daalt, zowel in het bedrijfsleven als bij de overheid. Hoewel de trend de goede kant op gaat, bestaan er nog steeds verschillen in beloning tussen mannen en vrouwen.   Het grootste deel van de loonkloof wordt veroorzaakt door ongelijke posities op de arbeidsmarkt. Zo leidt het stijgende opleidingsniveau van vrouwen ertoe dat ook de loonkloof kleiner wordt. Het emancipatiebeleid van het kabinet is erop gericht de ongelijke positie op de arbeidsmarkt aan te pakken. Door de investeringen in kinderopvang, de uitbreiding van het verlof en programma’s zoals Vrouwen aan de top en beleid gericht op economische zelfstandigheid wordt gepoogd voor alle vrouwen met allerlei mogelijke achtergronden voor verdere gelijkheid op de arbeidsmarkt te zorgen.   Een kleiner, maar daarom niet minder belangrijk deel van de loonkloof bestaat uit ongelijke beloning voor gelijkwaardig werk (beloningsdiscriminatie). De plannen van het kabinet om dat tegen te gaan, staan beschreven in het actieplan arbeidsmarktdiscriminatie en zullen nader worden uitgewerkt in het implementatieplan dat uw Kamer eind dit jaar ontvangt.   Het kabinet laat elke twee jaar door het CBS het beloningsverschil tussen vrouwen en mannen monitoren. Eind dit jaar worden de nieuwste cijfers bekend. De Staatssecretaris van SZW zal uw Kamer hierover te zijner tijd berichten. De monitor heeft betrekking op de omvang van de totale loonkloof (ongecorrigeerd beloningsverschil), en op de omvang van de loonkloof als wordt gecorrigeerd op achtergrondkenmerken zoals functieniveau, sector, ervaring, leeftijd, et cetera. Dit laatste cijfer valt niet helemaal samen met beloningsdiscriminatie. Beloningsdiscriminatie is niet statistisch te monitoren, maar kan alleen worden vastgesteld door een zorgvuldige vergelijking hoe de salarissen van twee collega’s bij eenzelfde werkgever tot stand zijn gekomen.   Vraag 12 Herkent u het geschetste beeld dat deeltijdwerken voor vaders minder geaccepteerd is dan voor moeders? Deelt u de mening dat ouders een gelijkwaardige rol hebben in de opvoeding? Bent u bereid om u in te zetten voor een evenwichtigere norm waarin de eigen keuze van de ouders centraal staat?   Antwoord vraag 12 Vaders werken veel minder vaak in deeltijd dan moeders. Het SCP heeft in de Emancipatiemonitor 2016 geconstateerd dat er een verschil bestaat tussen vaders en moeders in normatieve opvattingen over het aantal uren dat zij zouden moeten werken. Dit draagt ertoe bij dat in veel gezinnen vaders en moeders niet evenveel zorgtaken op zich nemen.   Ook zijn er verschillen in het aandeel vaders en moeders dat tenminste een halve dag per week thuis is voor het kind terwijl de partner werkt. Dit geldt namelijk voor ruim 95% van de moeders en voor 70% van de vaders met jonge kinderen[7]. Ondanks dat moeders vaker dan vaders thuis zijn terwijl de partner werkt, lijken vaders met jonge kinderen in 2017 wel meer betrokken bij de zorg voor hun kinderen thuis dan in 2013. In 2013 was namelijk iets meer dan 40% van de vaders van 1-jarigen ten minste een halve dag in de week thuis voor zijn kind(eren) terwijl zijn partner werkte[8].   Het kabinet hecht aan het idee dat beide ouders betrokken zijn bij de opvoeding. Het kabinet is van mening dat ouders, los van normatieve opvattingen en sociale normen over gender, zelf een bewuste keuze moeten kunnen maken over de gewenste arbeid-/zorgverdeling. Het beleid van het kabinet, zoals besproken bij de beantwoording van vraag 4 en 7 en beantwoording van vraag 10, is erop gericht werkende ouders beter te ondersteunen in de combinatie van arbeid en zorg en hen een bewustere keuze te laten maken.   Vraag 13 Deelt u de mening dat een flexibelere kinderopvang de keuze om meer uren te maken vergemakkelijkt? Hoe zet u zich hiervoor in?   Antwoord vraag 13 Flexibele kinderopvang in de vorm van ruimere openingstijden of de mogelijkheid om wisselende dagdelen af te nemen kan ouders ondersteunen bij het combineren van arbeid en zorg voor hun kinderen. Het SCP-rapport Kijk op kinderopvang[9] laat zien dat ouders die positiever denken over de betaalbaarheid, toegankelijkheid en de kwaliteit van kinderopvang, meer gebruikmaken van kinderopvang en ook meer werken. Het onderzoek van het SCP heeft echter niet onderzocht of dit een causaal verband is. Er kan dus niet gesteld worden dat positiever denken over de toegankelijkheid van kinderopvang automatisch leidt tot meer gebruik van kinderopvang. Wel is het een belangrijke indicatie dat een deel van de ouders die nu geen gebruikmaken van kinderopvang, aangeeft dit wel te overwegen als de opvangtijden (meer) zouden passen bij de werktijden.   Het is aan de kinderopvangorganisaties om in te spelen op de verschillende behoeften en wensen van ouders. We zien gelukkig ook dat dit wordt opgepakt. Er zijn verschillende kinderopvangorganisaties die flexibele kinderopvang aanbieden. Daarnaast kiezen sommige ouders voor gastouders, omdat die vaak flexibeler zijn.   [1] Vergaderjaar 2017-2018, Kamerstuknummer 27923, nr. 318 [2] Vergaderjaar 2017-2018, Kamerstuk 29282, nr. 303 [3] SCP (2017). Arbeidsmarkt in kaart. [4] http://cao.minszw.nl/docs/pdf/174/2018/174_2018_13_240680.pdf [5] The Role of Intergenerational Transfers in Gendered Labour Patterns, Van Putten, A.E., Aksant, Amsterdam, 2009. [6] CBS-rapport «Gelijk loon voor gelijk werk? Banen en lonen bij de overheid en bedrijfsleven, 2014 [7] SCP (2018) Kijk op de kinderopvang. Dit onderzoek had betrekking op ouders van baby’s en kleuters. [8] SCP/ CBS (2016). Emancipatiemonitor 2016 [9] Vergaderjaar 2018-2019. Bijlage bij Kamerstuk 31322 nr. 376
  Datum: 20 november 2018    Nr: 2018D55441    Indiener: W. Koolmees, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Hijink over het bericht dat er geen extra geld beschikbaar is voor de ambulantisering van de ggz (2018Z07146).

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het Kamerlid Hijink (SP) over het bericht dat er geen extra geld beschikbaar is voor de ambulantisering van de ggz (2018Z07146).   Hoogachtend,   de staatssecretaris van Volksgezondheid,   Welzijn en Sport,   Paul Blokhuis   Antwoorden op Kamervragen van het Kamerlid Hijink (SP) over het bericht dat er geen extra geld beschikbaar is voor de ambulantisering van de ggz.   (2018Z07146)   1   Bent u bekend met het bericht ‘Geen extra geld beschikbaar voor ambulantisering’? 1)   1   Ja.     2   Hoe is het mogelijk dat er voor de opbouw van ggz-voorzieningen in de wijk een tekort aan financiële middelen is, terwijl 300 miljoen euro van het ggz-budget uit 2017 niet is uitgegeven? Kunt u dit toelichten?     3   Staat u ervan te kijken dat zorgaanbieders geen afspraken met zorgverzekeraars hebben gemaakt over de opbouw van ggz-voorzieningen in de wijk, omdat zorgverzekeraars lieten weten dat hier niet genoeg geld voor beschikbaar was?     4   Kunt u aantonen waar de 300 miljoen euro die over was van het budget in 2017 precies heen is gegaan? Is dit bedrag inmiddels al uitgegeven? Hebben de zorgverzekeraars wel of geen beschikking (gehad) over dit bedrag? Kunt u dit toelichten?   6   Hoe is het mogelijk dat zorgaanbieders van zorgverzekeraars te horen hebben gekregen dat er geen extra geld beschikbaar was, terwijl dit wel het geval was? Welke acties gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat zorgverzekeraars alsnog het benodigde geld beschikbaar stellen voor de opbouw van voorzieningen in de wijk? 2)     7   Is het waar dat zorgverzekeraars het bedrag van 300 miljoen euro hebben gebruikt voor het laag houden van de premies en nergens op de plank ligt? Bent u het ermee eens dat als dit waar is de zorgverzekeraars onrechtmatig gebruik hebben gemaakt van de 300 miljoen, aangezien dit geld bestemd was voor zorgaanbieders? Wat gaat u ondernemen als dit waar blijkt te zijn? 2)   2, 3, 4, 6 en 7   Tijdens het debat van 18 april jl. over de zorg aan personen met verward gedrag, heb ik naar aanleiding van vragen over de onderuitputting in het macrokader voor de geestelijke gezondheidszorg toegezegd uw Kamer hierover nader schriftelijk te informeren. Ik heb u naar aanleiding van deze toezegging op 4 mei jl. een brief gestuurd (Kamerstukken II, 2017-2018, 25424, nr. 407) waarin ik ben ingegaan op de systematiek. Die ziet er in het kort als volgt uit. Het ministerie van VWS stelt de hoogte van het macrokader voor alle medische sectoren vast waarmee het maximum aan de zorguitgaven is bepaald. Zorgverzekeraars maken jaarlijks een eigen raming van de verwachtte ggz-zorg en kopen op basis daarvan zorg in bij zorgaanbieders. De kostenraming door zorgverzekeraars kan afwijken van wat VWS als maximum in het macrokader heeft vastgesteld. Zorgverzekeraars hebben een zorgplicht en sturen daarnaast door het sluiten van contracten met zorgaanbieders op de kwaliteit en doelmatigheid van zorg. Zorgverzekeraars zijn niet gehouden het hele bedrag uit het macrokader te besteden. Door te sturen op doelmatigheid kunnen – met inachtneming van de zorgplicht en de aanspraken van verzekerden - de uitgaven in de zorg worden beperkt en kunnen zorgverzekeraars, op basis van de door henzelf geraamde uitgaven, een lagere premie bij hun verzekerden in rekening brengen. Er worden dan immers naar verwachting minder zorgkosten gemaakt. Het geld ligt in dat geval niet ‘op de plank’ bij de zorgverzekeraar maar komt via een lagere premie ten goede aan verzekerden. Soms kunnen deze middelen nodig zijn voor versterking van de reservepositie van zorgverzekeraars met het oog op toekomstige zorguitgaven. Voor verdere toelichting verwijs ik u naar de eerdergenoemde brief.   5   Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat niet goed te controleren is hoe de onderschrijding in de ggz tot stand is gekomen en waar dit bedrag, dat overgeheveld is naar 2018, terecht is gekomen? Wat gaat u eraan doen om hier verbetering in te brengen, zodat de Kamer hier ook zicht op heeft?   5   Ik wijs erop dat er geen sprake is van het overhevelen van financiële middelen in 2018. Het beschikbare macrokader (de financiële middelen die maximaal aan verzekerde zorg mogen worden uitgegeven) voor de ggz is in 2018 niet verlaagd. Ik heb u met mijn brief van 11 april 2018 (Kamerstukken II, 2017-2018, 25424, nr. 385) laten weten dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bij zorgverzekeraars gerichte controles heeft aangekondigd en op basis van de uitkomsten zich zal beraden op verdere acties.     8   Bent u het ermee eens dat er meer toezicht nodig is op de uitgaven van zorgverzekeraars? Welke acties gaat u ondernemen om dit te realiseren?     8   Ik vind intensivering van het toezicht op de zorgplicht van belang in het kader van de wachttijdenproblematiek. Ik heb u in het antwoord op vraag 5 verwezen naar de acties van de NZa in dit licht.   9   Erkent u dat uw ingrijpen nodig is, omdat zorgverzekeraars kennelijk geen prikkel hebben om te investeren in voorzieningen in de wijk en de zorgaanbieders en patiënten hiervan de dupe worden?     10   Hoe is het mogelijk dat de afbouw van bedden in ggz-zorginstellingen nog steeds doorgaat na het zoveelste signaal dat de voorzieningen in de wijk niet met gelijke tred worden opgebouwd? Wat gaat u doen om de mensen die hierdoor nu tussen wal en schip vallen zo snel mogelijk te helpen?     13   Haalt u ook de alarmerende boodschap uit de Trimbos quickscan dat de rek er in de ggz uit is? Geldt dit voor zowel het afbouwen van bedden in zorginstelling als voor de doorgeslagen doelmatigheid? Wordt het hierdoor steeds moeilijker om voorzieningen in de wijk binnen het budget op te bouwen? Wat gaat u ondernemen om deze vicieuze cirkel te doorbreken?     9, 10, 13   Ik begrijp uit de quick scan dat de opbouw van de ambulante zorg hoog op de agenda staat en het merendeel van de aanbieders zich inzet om hier nog in 2018 verdere stappen in te zetten. Een meerderheid van de zorgaanbieders vindt bovendien dat de gemaakte afspraken voor 2018 meer perspectief geven voor het bieden van goede zorg. Dat neemt niet weg dat er verdere stappen nodig zijn.   11   Bent u bekend met de trend dat psychologen en psychiaters er steeds vaker voor kiezen zich als zelfstandige behandelaar bezig te houden met lichte problematiek, waardoor de zorginstellingen leeglopen en patiënten met zware complexe problematiek de dupe worden? Wat gaat u hieraan doen?   11   De NZa heeft dit probleem in haar Marktscan ggz over 2016 (Kamerstukken II, 2017-2018, 15355) gesignaleerd. Ik betreur deze ontwikkeling en heb de inzet om de arbeidsmarktproblematiek mee te nemen in de bestuurlijke afspraken ggz. Het behouden van werknemers heeft ook te maken met het creëren van een aantrekkelijk werkklimaat en invulling van goed werkgeverschap.     12   Wat vindt u van de aanbeveling van Trimbos dat er tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars meer gewerkt zou moeten worden op basis van vertrouwen in plaats van beheersing met regels? Acht u dit mogelijk in het huidige stelsel, gezien het feit dat het belang van de zorgverzekeraars - om zo weinig mogelijk uit te geven - vaak lijnrecht tegen het belang van de zorgaanbieder staat? Wat gaat u doen om aan deze aanbeveling tegemoet te komen? 2)     12   Ik deel de opvatting niet dat het belang van zorgverzekeraars lijnrecht tegenover het belang van de zorgverlener staat. Zorgverzekeraars zijn zowel gehouden te letten op de doelmatigheid als de kwaliteit van de te leveren zorg. In het kader van de zorgplicht moeten zij waarborgen dat een verzekerde tijdig kwalitatief goede zorg kan krijgen. Daarnaast zijn in het Actieplan (Ont)Regel de Zorg, dat onlangs naar uw Kamer is gestuurd (Kamerstukken II, 2017-2018, 29515, nr. 424) afspraken gemaakt over het merkbaar verminderen van de ervaren regeldruk onder andere door het werken op basis van vertrouwen. Ik wil nog dit voorjaar met de partijen die betrokken zijn bij het Trimbos-rapport in gesprek gaan.   1) https://www.skipr.nl/actueel/id34254-%27geen-extra-geld-beschikbaar-voor-ambulantisering-ggz%27.html   2) Trimbos Quickscan: https://assets.trimbos.nl/docs/0814842e-5ae7-4394-8b12-84b94909cedb.pdf  
  Datum: 1 juni 2018    Nr: 2018D31816    Indiener: P. Blokhuis, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Het bericht dat er geen extra geld beschikbaar is voor de ambulantisering van de ggz

Vragen van het lid Hijink (SP) aan de staatssecretaris van Volksgezondheid Welzijn en Sport over het bericht dat er geen extra geld beschikbaar is voor de ambulantisering van de ggz (ingezonden 17 april 2018)   1 Bent u bekend met het bericht ‘Geen extra geld beschikbaar voor ambulantisering’? 1) 2 Hoe is het mogelijk dat er voor de opbouw van ggz-voorzieningen in de wijk een tekort aan financiële middelen is, terwijl 300 miljoen euro van het ggz- budget uit 2017 niet is uitgegeven? Kunt u dit toelichten? 3 Staat u ervan te kijken dat zorgaanbieders geen afspraken met zorgverzekeraars hebben gemaakt over de opbouw van ggz-voorzieningen in de wijk, omdat zorgverzekeraars lieten weten dat hier niet genoeg geld voor beschikbaar was? 4 Kunt u aantonen waar de 300 miljoen euro die over was van het budget in 2017 precies heen is gegaan? Is dit bedrag inmiddels al uitgegeven? Hebben de zorgverzekeraars wel of geen beschikking (gehad) over dit bedrag? Kunt u dit toelichten? 5 Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat niet goed te controleren is hoe de onderschrijding in de ggz tot stand is gekomen en waar dit bedrag , dat overgeheveld is naar 2018, terecht is gekomen? Wat gaat u eraan doen om hier verbetering in te brengen, zodat de Kamer hier ook zicht op heeft? 6 Hoe is het mogelijk dat zorgaanbieders van zorgverzekeraars te horen hebben gekregen dat er geen extra geld beschikbaar was, terwijl dit wel het geval was? Welke acties gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat zorgverzekeraars alsnog het benodigde geld beschikbaar stellen voor de opbouw van voorzieningen in de wijk? 2) 7 Is het waar dat zorgverzekeraars het bedrag van 300 miljoen euro hebben gebruikt voor het laag houden van de premies en nergens op de plank ligt? Bent u het ermee eens dat als dit waar is de zorgverzekeraars onrechtmatig gebruik hebben gemaakt van de 300 miljoen, aangezien dit geld bestemd was voor zorgaanbieders? Wat gaat u ondernemen als dit waar blijkt te zijn? 2) 8 Bent u het ermee eens dat er meer toezicht nodig is op de uitgaven van zorgverzekeraars? Welke acties gaat u ondernemen om dit te realiseren?   9 Erkent u dat uw ingrijpen nodig is, omdat zorgverzekeraars kennelijk geen prikkel hebben om te investeren in voorzieningen in de wijk en de zorgaanbieders en patiënten hiervan de dupe worden? 10 Hoe is het mogelijk dat de afbouw van bedden in ggz-zorginstellingen nog steeds doorgaat na het zoveelste signaal dat de voorzieningen in de wijk niet met gelijke tred worden opgebouwd? Wat gaat u doen om de mensen die hierdoor nu tussen wal en schip vallen zo snel mogelijk te helpen? 11 Bent u bekend met de trend dat psychologen en psychiaters er steeds vaker voor kiezen zich als zelfstandige behandelaar bezig te houden met lichte problematiek, waardoor de zorginstellingen leeglopen en patiënten met zware complexe problematiek de dupe worden? Wat gaat u hieraan doen? 12 Wat vindt u van de aanbeveling van Trimbos dat er tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars meer gewerkt zou moeten worden op basis van vertrouwen in plaats van beheersing met regels? Acht u dit mogelijk in het huidige stelsel, gezien het feit dat het belang van de zorgverzekeraars - om zo weinig mogelijk uit te geven - vaak lijnrecht tegen het belang van de zorgaanbieder staat? Wat gaat u doen om aan deze aanbeveling tegemoet te komen? 2) 13 Haalt u ook de alarmerende boodschap uit de Trimbos quickscan dat de rek er in de ggz uit is? Geldt dit voor zowel het afbouwen van bedden in zorginstelling als voor de doorgeslagen doelmatigheid? Wordt het hierdoor steeds moeilijker om voorzieningen in de wijk binnen het budget op te bouwen? Wat gaat u ondernemen om deze vicieuze cirkel te doorbreken? 1) https://www.skipr.nl/actueel/id34254-%27geen-extra-geld-beschikbaar-voor- ambulantisering-ggz%27.html 2) Trimbos Quickscan: https://assets.trimbos.nl/docs/0814842e-5ae7-4394- 8b12-84b94909cedb.pdf
  Datum: 17 april 2018    Nr: 2018Z07146    Indiener: Maarten Hijink, Kamerlid SP
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Jasper van Dijk over het bericht dat illegalen in Nederland te lang worden opgesloten in detentiecentra

Vragen van het lid Jasper van Dijk (SP) aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over het bericht dat illegalen in Nederland te lang worden opgesloten in detentiecentra (ingezonden 22 februari 2018)   1   Kent u het bericht dat vreemdelingendetentie in Nederland op gespannen voet staat met mensenrechten? 1)   Antwoord vraag 1   Ja.   2   Kunt u concreet uiteenzetten wat er sinds 2008 is veranderd aan het Nederlandse beleid en praktijk met betrekking tot vreemdelingendetentie? Acht u dit voldoende? Zo nee, wat zou er volgens u nog meer verbeterd moeten worden?   4   Wat is uw reactie op het rapport ‘Het recht op vrijheid’ van Amnesty International? 2)   12   Kunt u per aanbeveling uit het rapport ‘Het recht op vrijheid’ op bladzijde 31 en 32 aangeven of u van plan bent die aanbeveling op te volgen en zo ja, hoe en wanneer? 2) Kunt u ook aangeven indien u een aanbeveling niet wilt opvolgen, waarom niet?   13   Wat is uw reactie op het rapport ‘Geen cellen en handboeien’ van Amnesty International? 3)   16   Kunt u per aanbeveling uit het rapport ‘Geen cellen en handboeien’ op bladzijde 21 en 22 aangeven of u van plan bent die aanbeveling op te volgen en zo ja, hoe en wanneer? 3) Kunt u ook aangeven indien u een aanbeveling niet wilt opvolgen, waarom niet?   Antwoord vragen 2, 4, 12, 13, 16   Deze vragen overlappen met het verzoek van de vaste commissie voor JenV om de Tweede Kamer voor het algemeen overleg over opvang, terugkeer en vreemdelingenbewaring op 22 maart een reactie op de rapporten van Amnesty International te doen toekomen. Ik zal de beantwoording van deze vragen dan ook betrekken bij die reactie.   Volledigheidshalve wil ik benadrukken dat het wetsvoorstel Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring dat momenteel in uw Kamer ligt, een nieuw stelsel voor vreemdelingenbewaring in het leven roept. De nota naar aanleiding van het nader verslag wordt op korte termijn aan uw Kamer gezonden. De discussie over dit nieuwe stelsel voer ik graag in het kader van dit wetsvoorstel. Vooruitlopend hierop ga ik thans uiteraard in op de vragen die het wetsvoorstel raken.   3   Hoe kan het dat er in tien jaar weinig vooruitgang is geboekt met het Nederlandse beleid en praktijk met betrekking tot vreemdelingendetentie?   Antwoord vraag 3   Ik deel de veronderstelling in deze vraag niet, hetgeen ook blijkt uit de beleidsreactie op de rapporten van Amnesty International over vreemdelingenbewaring.   5   Is het waar dat het 42 dagen kan duren voordat een vreemdeling in bewaring voor het eerst een rechter ziet? Klopt het ook dat de advocaat in veel gevallen bij het eerste gehoor ontbreekt? Deelt u de mening dat dit moeilijk te verenigen valt met het recht op goede en effectieve rechtsbescherming?   Antwoord vraag 5   Ik ben van mening dat de rechtsbescherming van vreemdelingen in vreemdelingenbewaring adequaat is geborgd.   Zij hebben recht op gratis rechtsbijstand en worden voorafgaand aan een in bewaringstelling gehoord. Tijdens dit gehoor kan de vreemdeling zich laten bijstaan door een advocaat. Indien de vreemdeling dit wil dan wordt zijn voorkeursadvocaat of – bij afwezigheid of tijdgebrek – een piketadvocaat verzocht om bij het gehoor aanwezig te zijn. Als een advocaat niet aanwezig kan zijn bestaat er overigens eveneens de mogelijkheid om het gehoor telefonisch voor te bespreken met de vreemdeling en/of de in bewaringstellende ambtenaar. Het kan voorkomen dat een advocaat niet aanwezig is omdat de vreemdeling heeft aangegeven hier geen behoefte aan te hebben.   In het rapport geeft Amnesty niet aan in hoeveel gevallen door de vreemdeling werd gevraagd om een advocaat bij het gehoor. Evenmin wordt inzicht geboden in de redenen waarom de advocaat niet bij het gehoor aanwezig was.   Na het opleggen van een bewaringsmaatregel kan de vreemdeling via zijn advocaat hiertegen in beroep gaan, wat in de regel ook gebeurt en waarna de zaak binnen twee weken door een rechter op zitting wordt behandeld. Ook als een vreemdeling niet (direct) in beroep gaat tegen de maatregel, is ons systeem zo ingericht dat de maatregel wordt getoetst door de rechter. Dit gebeurt dan binnen 6 weken. Dit is de termijn van 42 dagen waar Amnesty International op doelt. Tegen een eventuele ongegrondverklaring kan de vreemdeling vervolgens hoger beroep instellen. Daarna kan een vreemdeling zo vaak als hij wil via zijn advocaat verzoeken om een toetsing door de rechter, waarna door de rechter zal worden getoetst of het nog evenredig is dat de bewaring voortduurt.   6   Hoe verenigt u het feit dat alternatieven voor detentie pas in beeld komen als de vreemdeling actief meewerkt aan vertrek met het ultimum remedium beginsel dat stelt dat bewaring slechts mag worden opgelegd als minder dwingende middelen niet volstaan? Deelt u de mening dat als mensen actief meewerken aan vertrek, detentie of alternatieven daarvoor überhaupt niet aan de orde zouden moeten zijn?   Antwoord vraag 6   Om het vertrek van vreemdelingen die niet (langer) in Nederland mogen blijven te bewerkstelligen en hen daartoe in beeld te houden, kent het beleid verschillende maatregelen die opgelegd kunnen worden. Vreemdelingenbewaring is hierbij een ultimum remedium. Minder dwingende terugkeermaatregelen kunnen een alternatief voor bewaring zijn, maar moeten vooral gezien worden als op zichzelf staande maatregelen om terugkeer van de vreemdeling te realiseren. Welke terugkeermaatregel kan worden ingezet is met name afhankelijk van de vraag of de vreemdeling in kwestie bereid is actief te werken aan terugkeer en zich hier ook daadwerkelijk voor wil inzetten. Ik deel niet de mening dat, als mensen actief meewerken aan vertrek, bewaring of alternatieven daarvoor überhaupt niet aan de orde moeten zijn. Bewaring en minder dwingende terugkeermaatregelen kunnen ook worden toegepast indien er een risico is op onttrekking aan toezicht. Dit is in lijn met Europese regelgeving. Hierbij geldt wel dat gebruik moet worden gemaakt van minder dwingende maatregelen als deze effectief kunnen worden toegepast. Pas als dat niet het geval is, ligt vreemdelingenbewaring in de rede. Er dient dan tevens sprake te zijn van een daadwerkelijk zicht op uitzetting. Vanuit dit perspectief wordt in elk individueel geval gekeken welke maatregel het meest passend is. Daarbij wordt door de rechter de motivatie omtrent het al dan niet toepassen van een minder dwingende maatregel meegewogen.   7   Klopt het dat ook de medewerking aan vertrek tijdens lopende procedures wordt meegenomen in het bepalen of iemand al dan niet gedwongen moet worden uitgezet? Is het waar dat de medewerkers van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) tijdens vertrekgesprekken dreigen met detentie nog voordat bepaald is of iemand gedwongen of vrijwillig kan vertrekken? Zo ja, bent u bereid de DT&V hierop aan te spreken?   Antwoord vraag 7   Tijdens een lopende (herhaalde) asielprocedure is vertrek niet aan de orde. Pas als de asielaanvraag door de Immigratie-en Naturalisatiedienst is afgewezen, wordt de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) in kennis gesteld van dit besluit en wordt de persoon uitgenodigd voor vertrekgesprekken.   De DT&V respecteert in alle gevallen (rechterlijke) verblijfsrechtelijke besluiten die maken dat de persoon de rechtsmiddelen tegen een afwijzing van een verzoek in Nederland mag afwachten. In dat geval kunnen er wel gesprekken plaatsvinden, maar zullen er geen onomkeerbare vertrekhandelingen verricht worden. Veelal zijn vreemdelingen ongedocumenteerd (of stellen dat nochtans te zijn) en wordt tijdig gestart met het achterhalen van de juiste nationaliteit en/of identiteit, met name ten behoeve van het verkrijgen van een (vervangend) reisdocument.   In de vertrekgesprekken bespreekt de regievoerder van de DT&V samen met de vreemdeling diens perspectief, en de reële kans dat terugkeer op enig moment aan de orde is. Er wordt daarbij samen bezien wat er nodig is om terugkeer te realiseren, en welke mogelijke belemmeringen er zijn. De focus ligt daarbij in alle gevallen op zelfstandige terugkeer. Er wordt echter ook op gewezen dat, indien men niet zelfstandig vertrekt, gedwongen terugkeer uiteindelijk aan de orde kan zijn. Gelet op het belang van het volledig informeren van betreffende vreemdelingen vind ik dit een juiste aanpak.   8   Deelt u de mening dat de eis van zicht op uitzetting betekent dat er daadwerkelijk en concreet in dat individuele geval zicht is op uitzetting en dat dit vooral streng getoetst moet worden bij vreemdelingen uit landen die zelden LP’s verstrekken als mensen niet zelf willen terugkeren?   Antwoord vraag 8   De vraag of er zicht is op uitzetting moet in ieder individueel geval zorgvuldig worden getoetst. Als een vreemdeling afkomstig is uit een land dat zelden LP’s verstrekt betekent dit echter niet per definitie dat de vreemdeling niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst of een ander land waar de toegang is geborgd of dat hij niet aan zijn aan zijn vertrek hoeft te werken. De verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van een reisdocument ligt immers in eerste instantie bij de vreemdeling zelf. Vreemdelingenbewaring is dan ook in die situatie niet op voorhand uitgesloten.   9   Waarom acht u het acceptabel dat de totale duur van de cumulatieve vreemdelingendetentie het absolute maximum van achttien maanden uit de Terugkeerrichtlijn overschrijdt?   Antwoord vraag 9   De inbewaringstelling is een uiterst middel om vertrek van de vreemdeling die niet (langer) in Nederland mag blijven te realiseren. Het komt voor dat de inbewaringstelling moet worden opgeheven voordat de vreemdeling uit Nederland is vertrokken. Wanneer nieuwe feiten en omstandigheden blijken of een ruime periode sinds de eerder opgeheven inbewaringstelling is verstreken kan herhaalde inbewaringstelling gerechtvaardigd zijn. Uit de tekst van de EU Terugkeerrichtlijn noch de huidige jurisprudentie van de nationale rechter en het EU Hof van Justitie volgt dat bij de herhaalde inbewaringstelling uitgegaan moet worden van een optelling van de maximale termijn van 18 maanden van de Terugkeerrichtlijn (artikel 15, vijfde en zesde lid). Onder de in deze beantwoording genoemde voorwaarden acht ik het dan ook acceptabel dat de termijn van achttien maanden overschreden wordt. In de praktijk komt dit overigens hoogst zelden voor. De duur van de bewaringsmaatregel is gemiddeld 43 dagen.   10   Hoe worden bijzondere en persoonlijke omstandigheden meegewogen die detentie mogelijk een disproportioneel middel maken? Hoe wordt daarin de gezondheidsschade die detentie teweeg kan brengen meegenomen?   Antwoord vraag 10   Bij het nemen van een besluit tot inbewaringstelling wordt altijd aan de vreemdeling gevraagd of er in zijn of haar situatie sprake is van bijzondere (medische) omstandigheden die de bewaring onredelijk bezwarend zouden maken. Deze omstandigheden, bijvoorbeeld of een vreemdeling onder medische behandeling staat, worden meegenomen in de beoordeling of een lichter middel dan bewaring aan de orde is.   De inbewaringstellende ambtenaar kan in dit verband een arts raadplegen om te beoordelen of een vreemdeling detentiegeschikt is. Daarbij wordt in bewaring medische zorg geboden die vergelijkbaar is met de zorg die beschikbaar is in de samenleving.   Gedurende bewaring kan ook een detentiegeschiktheidstoets worden aangevraagd. Kernvraag van deze toets is of binnen de omstandigheden van bewaring en de in dat verband beschikbare faciliteiten de zorg geleverd kan worden die de persoon nodig heeft.   Dit is een medische en individuele beoordeling die betrekking heeft op onder andere vragen over de zorgbehoefte van de vreemdeling en in hoeverre deze binnen de bewaringsomstandigheden ondervangen kan worden.   11   Acht u het gerechtvaardigd dat een vreemdeling zonder strafblad of kwade bedoelingen makkelijk hetzelfde aantal maanden vast kan komen te zitten als een crimineel die een gewapende overval heeft gepleegd? Waarom?   Antwoord vraag 11   Ik vind het niet rechtvaardig dat een vreemdeling die vertrekplichtig is en die op basis van een gerechtelijke uitspraak niet langer in Nederland mag blijven geen gehoor geeft aan zijn of haar vertrekplicht.   Vreemdelingenbewaring kan in een dergelijk geval als ultimum remedium worden toegepast als de vreemdeling zijn of haar vertrek blijft tegenwerken of als er een reëel risico is dat hij of zij zich aan het overheidstoezicht onttrekt. Dit zijn aspecten waar een vreemdeling zelf invloed op heeft en waarmee hij of zij dus ook invloed heeft op het al dan niet opgelegd krijgen van een bewaringsmaatregel en het continueren daarvan.   14   Wat is uw reactie op de stelling dat het feit dat voor vreemdelingendetentie dezelfde gebouwen worden gebruikt als voor strafrechtelijke detentie in strijd is met artikel 16 van de Terugkeerrichtlijn die stelt dat gebouwen die voor vreemdelingendetentie worden gebruikt niet ‘prisonlike’ mogen zijn?   Antwoord vraag 14   De wijze waarop vreemdelingenbewaring wordt uitgevoerd voldoet aan de normen zoals neergelegd in Europese wet- en regelgeving, waaronder de EU Terugkeerrichtlijn.   Ik vind het daarbij relevant om te benadrukken dat elke vorm van vrijheidsontneming nu eenmaal bepaalde veiligheids- en beheersmaatregelen met zich meebrengt, waarbij ook rekening wordt gehouden met de doelgroep die er verblijft. Dit werkt ook door in de inrichting van de gebouwen, de omgeving en het regime. Er wordt naar gestreefd om de uitstraling van inrichtingen voor vreemdelingenbewaring minder penitentiair te laten zijn. Zo zijn de ramen van de inrichting voor vreemdelingenbewaring in Rotterdam niet voorzien van tralies, maar zijn deze uitgerust met veiligheidsglas.   15   Deelt u de mening dat vreemdelingen zonder strafblad die op bestuursrechtelijke grond gedetineerd worden aan zo min mogelijk beperkingen onderworpen dienen te worden? Zo ja, acht u de gesloten gezinsvoorziening (GGV) in Zeist dan een goed voorbeeld voor op den duur alle vreemdelingendetentiecentra? Zo ja, waarom vindt u dat? Zo nee, waarom gaat u voorbij aan het feit dat zowel de ingeslotenen als het personeel minder spanning en problemen ervaren in een setting zoals in Zeist?   Antwoord vraag 15   Gelet op de kwetsbare positie van minderjarige kinderen en hun familie is destijds besloten om voor deze groep een gesloten gezinsvoorziening te ontwikkelen. De doelgroep die hier wordt geplaatst, verschilt van de doelgroep die verblijft in de reguliere bewaringscentra. Het afgelopen jaar is dit ook regelmatig gebleken, met name door incidenten die werden veroorzaakt door vreemdelingen afkomstig uit veilige landen. Dit vereist specifieke eisen aan de beheersbaarheid, om de veiligheid van zowel personeel als overige vreemdelingen te kunnen borgen. Daarbij ben ik van mening dat met de huidige reguliere centra van bewaring een goede balans is gevonden tussen enerzijds het voorzien in een verantwoorde bewaringsomgeving, in lijn met internationale wet- en regelgeving en met oog voor noodzakelijke beheers- en veiligheidsmaatregelen, en anderzijds het realiseren van een kosteneffectieve tenuitvoerlegging hiervan.   17   Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaand aan het algemeen overleg Opvang, terugkeer en vreemdelingenbewaring op 22 maart 2018?   Antwoord vraag 17   Ja.     1) https://www.amnesty.nl/actueel/vreemdelingendetentie-in-10-jaar-weinig-vooruitgang-geboekt   2) https://www.amnesty.nl/content/uploads/2018/02/AMN_18_08_Rapport-het-recht-op-vrijheid_DEF_web-1.pdf?x73404   3) https://www.amnesty.nl/content/uploads/2018/02/AMN_18_05_Rapport-Geen-cellen-en-handboeien_DEF_web.pdf?x73404   VERTROUWELIJK  
  Datum: 20 maart 2018    Nr: 2018D20510    Indiener: M.G.J. Harbers, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Asscher over de eerste 100 dagen van het kabinet

Vragen van het lid Asscher (PvdA) aan de minister-president over de eerste honderd dagen van het kabinet (ingezonden 6 februari 2018)   16 Hoeveel van de € 270 mln. extra van het demissionaire kabinet-Rutte-Asscher is al bij leraren zelf terecht gekomen?   Zoals in het Regeerakkoord opgenomen, is er structureel € 270 miljoen beschikbaar voor verbetering van de arbeidsvoorwaarden voor docenten in combinatie met het normaliseren van de wettelijke regelingen. Op dit moment zijn werkgevers- en werknemersorganisaties in het PO bezig om dit vorm te geven in een nieuwe cao. De inzet is om voor de zomer tot een resultaat te komen.   25 Wat doet u tegen cyberpesten?   Het tegengaan van alle vormen van pesten op school is een verantwoordelijkheid van het schoolbestuur. In augustus 2015 is de wet ‘Veiligheid op school’ in werking getreden. Met deze wet zijn schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs verplicht om te zorgen voor een sociaal veilige omgeving, de ervaren veiligheid van leerlingen te monitoren en een aanspreekpunt binnen de school te hebben.   38 Hoe zorgt u dat de vrijwillige ouderbijdrage en bijkomende schoolkosten binnen de perken blijven?   Het is van belang dat de toegang tot het onderwijs niet belemmerd wordt door de hoogte van de schoolkosten voor ouders. Om hier zicht op te houden wordt door het ministerie van OCW periodiek onafhankelijk onderzoek verricht via de schoolkostenmonitor (bron: Kamerstuk 34300 VIII 155). Uit de laatste monitor blijkt dat de totale schoolkosten in het voorgezet onderwijs bij alle niveaus zijn gedaald. In februari 2017 is een motie aangenomen van SP en PvdA die de regering verzoek om een limiet te stellen aan vrijwillige ouderbijdragen in po en vo. Naar aanleiding van deze motie is er nader onderzoek gedaan naar alternatieven voor de vrijwillige ouderbijdrage in po en vo. Dit rapport is met een beleidsreactie op 7 maart jl. naar de Kamer gestuurd (Kamerstuk 34511-16). In de brief staat verder dat leerlingen niet langer door scholen mogen worden buitengesloten als hun ouders de vrijwillige ouderbijdrage niet betalen. Daarom heeft de minister de PO-Raad en de VO-Raad gevraagd om komend schooljaar duidelijke afspraken (een gedragscode) te maken om incidenten te voorkomen. Lukt het de scholen niet om tijdig goede afspraken te maken, dan gaat de minister de wet aanscherpen.   40 Hoe wilt u zorgen dat kunst en cultuur voor iedereen toegankelijk is, en dan niet alleen het Wilhelmus en het Rijksmuseum in Amsterdam?   Het is van groot belang dat kunst en cultuur toegankelijk is voor iedereen. Negen op de tien Nederlanders van zes jaar en ouder bezoeken jaarlijks ten minste één keer een culturele voorstelling, tentoonstelling, evenement of instelling. Dat laat onverlet dat er doelgroepen zijn die we minder goed bereiken. Dat zal de komende jaren een aandachtspunt zijn in het cultuurbeleid. De cultuurbrief is op 12 maart naar uw Kamer gestuurd en geeft weer welke maatregelen er de komende jaren worden genomen. Hier wordt ook stilgestaan bij toegankelijkheid en participatie. Scholen kunnen zelf kiezen welk museum ze willen bezoeken. Daarnaast is er extra geld beschikbaar gekomen voor muziekeducatie.   41 Heeft u - in lijn met de goede adviezen van Kroes en Schippers - al steengoede vrouwen klaarstaan die u naar voren kunt schuiven als dat nodig is?   Dit kabinet heeft een percentage vrouwelijke ministers dat boven de 30% ligt.   42 Wat zijn uw afrekenbare doelstellingen voor de bestrijding van de laaggeletterdheid?   Voor de periode 2016-2018 zijn de volgende kwantitatieve doelstellingen gesteld: 45 duizend volwassenen beginnen aan een taaltraject zodat zij zelfredzamer worden en beter participeren in de maatschappij, en 1 miljoen kinderen tot en met de basisschoolleeftijd worden bereikt met leesbevorderingsactiviteiten, zodat hun taalvaardigheid en leesplezier toenemen. De ministeries van OCW, SZW en VWS werken samen in het programma Tel mee met Taal om deze doelstellingen te helpen bereiken. Op 24 november 2017 heeft het Kabinet een tussenrapportage over het bereik en effect van dit programma naar de Kamer gestuurd. Uit deze rapportage bleek dat het behalen van de doelstellingen (ruim) op schema ligt. Het Kabinet maakt vanaf 2018 jaarlijks structureel 5 miljoen extra vrij om de aanpak van laaggeletterdheid ambitieus voort te zetten. Ter uitvoering van de motie Asante en Van Meenen en de motie Rog wordt -met onder meer gemeenten en partijen met specifieke expertise als het gaat om het voorkomen en verminderen van laaggeletterdheid- gesproken over nieuwe, ambitieuze doelen voor de periode na afloop van het lopende programma Tel mee met Taal. 43 Welke maatregelen neemt u om segregatie tegen te gaan in het onderwijs?   Het is belangrijk dat iedere school – ongeacht de samenstelling – een kwalitatief goede school is. Scholen en gemeenten ontvangen geld van het Rijk om kinderen met een risico op een onderwijsachterstand extra te ondersteunen. Dit zorgt ervoor dat elke leerling ontplooiingskansen krijgt. Voor leerlingen in een achterstandssituatie worden de mogelijkheden voor een goede onderwijsloopbaan en een betere maatschappelijke positie vergroot, waardoor segregatie in de maatschappij kan afnemen.   Dit kabinet streeft naar onderwijs waarin álle leerlingen zich thuis voelen en het beste uit zichzelf kunnen halen, ongeacht hun thuissituatie, talenten of achtergrond. Bevorderen van kansengelijkheid is een speerpunt. Op lokaal niveau hebben gemeenten en schoolbesturen de mogelijkheid om afspraken te maken met elkaar over het tegengaan van segregatie op schoolniveau. Het is wettelijk verplicht om jaarlijks te overleggen over het voorkomen van segregatie. Het actieplan gelijke kansen is volop in uitvoering.   44 Hoeveel gaat u investeren in eerlijke kansen in het onderwijs?   Het regeerakkoord bevat forse investeringen in gelijke kansen in het onderwijs. OCW trekt € 170 miljoen extra uit voor versterking van de vroeg- en voorschoolse educatie. Er wordt structureel € 15 miljoen extra uitgetrokken voor de verbetering van onderwijsachterstanden op scholen. De verdeling van het onderwijsachterstandenbudget wordt geactualiseerd. Het CBS heeft in opdracht van het Ministerie van OCW een nieuwe indicator ontwikkeld om het geld te verdelen. De doelgroep kan op basis van deze indicator op een betere, meer verfijnde manier worden bepaald zodat het geld daadwerkelijk terecht komt bij kinderen met een risico op een achterstand. Uw Kamer is hierover nader geïnformeerd in de brief ‘Investeren in onderwijsachterstanden’ van 31 januari 2018.   Soepele overgangen in het onderwijs zijn van groot belang. Om de kansen van leerlingen te vergroten is dit schooljaar gestart met doorstroomprogramma’s die tot doel hebben om de overgangen in het onderwijs voor leerlingen met een sociaaleconomische achterstand soepeler te laten verlopen. Voor de doorstroomprogramma’s zijn vanaf 2018 structureel middelen beschikbaar, namelijk po-vo (€ 9,5 miljoen), vmbo-mbo, vmbo-havo (€ 5 miljoen) en mbo- hbo (€ 7,5 miljoen). Daarnaast wordt een doorstroomrecht voorbereid voor vmbo tl/gl-leerlingen die willen doorstromen naar de havo.   Om het hoger onderwijs zo toegankelijk mogelijk te maken is in het Regeerakkoord afgesproken dat het collegegeld voor alle hbo-/wo-studenten voor het eerste jaar (van de bachelor fase) met de helft wordt verlaagd. Deze maatregel gaat al per aanstaand collegejaar (2018-2019) in. Hiervoor is in het Regeerakkoord in 2018 € 70 miljoen, in 2019 € 165 miljoen en structureel € 175 miljoen gereserveerd.   45 Welke maatregelen neemt u om te zorgen dat een gemiste kans in het onderwijs nooit een laatste kans mag zijn?   Kenmerkend voor het Nederlandse onderwijsstelsel is dat ook jongeren met een relatief trage start in het onderwijs de kans krijgen via het beroepsonderwijs hun talenten maximaal te ontplooien. Het mbo biedt immers de mogelijkheid om op te klimmen naar mbo-niveaus met betere arbeidsmarktperspectieven en na mbo-4 door te stromen naar het hbo. Met de komst van de Associate Degree zijn die kansen nog eens vergroot. Het kabinet wil de emancipatiefunctie van het beroepsonderwijs de komende periode versterken. Met het afschaffen van de cascadebekostiging per 1 januari 2019 wordt de afnemende bekostiging voor studenten die lang(er) in het mbo verblijven ongedaan gemaakt. Hierdoor ontstaat voor mbo- instellingen meer financiële ruimte om deze studenten de kans te bieden zich in een passend tempo te ontwikkelen en te ontplooien en daarmee gelijke kansen te bieden. Gelijke kansen in het onderwijs is een prioritair onderwerp in het onlangs afgesloten bestuursakkoord met de mbo-raad ‘MBO 2018-2022: Trots, vertrouwen en lef’. Uw Kamer is hierover onlangs in de brief van 7 februari 2018 geïnformeerd.   Zie ook het antwoord op vraag 44.   46 Is het waar dat u onvoldoende geld uittrekt om alle peuters toegang te geven tot onderwijs?   Voor alle peuters zijn er mogelijkheden om gebruik te maken van een voorschoolse voorziening. Voor kinderen van werkende ouders wordt vanaf 2019 € 250 miljoen extra geïnvesteerd in de kinderopvangtoeslag (bovenop de € 2,4 miljard die nu al beschikbaar is voor kinderopvang). Voor kinderen met een risico op een onderwijsachterstand investeert het kabinet vanaf 2020 € 170 miljoen extra in voorschoolse educatie (bovenop de € 316 miljoen die op dat moment al beschikbaar is voor gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid). Ook ontvangen gemeenten geld om een voorziening te bieden aan niet-doelgroeppeuters waarvan ouders niet voldoen aan de criteria voor kinderopvangtoeslag.   47 Bent u voornemens om het beleid van het vorige kabinet voor eerlijke kansen in het onderwijs voort te zetten en hoeveel wilt u daarvoor investeren?   Ja, het kabinet zal het beleid voortzetten en neemt ook nieuwe maatregelen. Het kabinet ziet het bieden van kansen aan jongeren als een kernopdracht van het onderwijs. Daarom investeert het kabinet fors in maatregelen gericht op het vergroten van kansen, naast de investeringen aangegeven in het antwoord op vraag 44.   Anderhalf jaar geleden is gestart met de opbouw van een coalitie voor gelijke kansen van partijen binnen en buiten het onderwijsveld, de Gelijke Kansen Alliantie (GKA). Op dit moment zijn in 28 lokale netwerken partijen gericht aan de slag met het bevorderen van de gelijke kansen in hun regio. Er worden interventies ontwikkeld en uitgevoerd gericht op ouderbetrokkenheid, coaching en begeleiding, professionalisering leraren en doorlopende leerlijnen. Aan de ontwikkeling van de interventies is onderzoek gekoppeld om zo de kennis over effectieve aanpakken te vergroten. De komende periode worden de lokale netwerken verder uitgebouwd.   48 Welke maatregelen neemt u met het bedrijfsleven en MBO-instellingen om te zorgen dat MBO’ers zeker kunnen zijn van een stageplaats?   Bij het vinden van een stageplaats in het mbo is samenwerking tussen student, onderwijsinstelling, Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven (SBB) en bedrijven, onontbeerlijk. In de brief van 1 april 2016 (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2016/04/01/kamerbrief- over-beroepspraktijkvorming-bpv-in-het-mbo), als reactie op twee moties over de beroepspraktijkvorming (bpv), is mijn ambtsvoorganger uitgebreid ingegaan op de verantwoordelijkheidsverdeling tussen alle betrokken partijen bij het vinden van een bpv-plaats. Met de subsidieregeling praktijkleren worden werkgevers gestimuleerd stageplaatsen beschikbaar te stellen. Ook wordt – met het bbl-offensief van SBB – geprobeerd het aanbod aan stageplaatsen te vergroten. Naar aanleiding van het verzoek van de Tweede Kamer (2016D29308) om een reactie op het artikel ‘Werkend leren verdwijnt door gebrek aan leerbanen’ heeft mijn ambtsvoorganger op 6 oktober 2016 een brief aan de Tweede Kamer gestuurd (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2016/10/06/kamerbrief- met-reactie-op-artikel-039-werkend-leren-verdwijnt-door-gebrek-aan- leerbanen-039 ). Kortheidshalve verwijs ik hierbij naar de inhoud van deze brief.   57 Hoe wilt u zorgen dat ieder kind zeker kan zijn van gym-onderwijs?   In zowel het primair als het voortgezet onderwijs zijn kerndoelen vastgelegd voor respectievelijk bewegingsonderwijs en lichamelijke opvoeding (LO). Scholen dienen de kerndoelen aan te bieden, de Inspectie van het Onderwijs ziet hierop toe. Om meer bewegingsonderwijs te realiseren in het po, ben ik op dit moment in gesprek met de onderwijssector.   63 Wanneer wordt de numerus fixus voor de verpleegkunde-opleidingen afgeschaft?   Recentelijk heeft uw Kamer met de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gesproken over selectie en toegankelijkheid in het hoger onderwijs (op 17 januari 2018). Het Kabinet is van mening dat opleidingen enkel een numerus fixus zouden hanteren wanneer dit noodzakelijk is. Een numerus fixus om de onderwijskwaliteit te borgen is hier een voorbeeld van. Om erop toe te zien dat instellingen enkel noodzakelijke capaciteitsbeperkingen aanbrengen, is in het regeerakkoord opgenomen dat de minister de bevoegdheid krijgt om een numerus fixus te blokkeren.   Verpleegkundeopleidingen en werkgevers zijn zich bewust van de grote behoefte aan verpleegkundigen. Zij zetten zich daarom in voor maximale verantwoorde groei van het aantal verpleegkundestudenten, waarbij de onderwijskwaliteit geborgd blijft. Het is namelijk van belang dat iedereen die zich inschrijft voor een verpleegkundeopleiding kan rekenen op een kwalitatief goed onderwijsprogramma. Een onderdeel hiervan is het kunnen volgen van een leerzame stage. Het resultaat van de inzet van onderwijsinstellingen en werkgevers is dat het aantal studenten dat een verpleegkunde-opleiding kan volgen blijft groeien. Daarover maken onderwijsinstellingen en werkgevers afspraken in het kader van de regionale actieplannen tegen tekorten in de zorg. Voor studiejaar 2018-2019 heeft minister van Engelshoven de Hogeschool van Amsterdam toestemming gegeven ruim 170 extra plaatsen aan de opleiding tot Verpleegkunde beschikbaar te stellen. De forse verruiming is mogelijk doordat de Hogeschool van Amsterdam, op verzoek van de ministeries van OCW en VWS, in overleg met de Zorgwerkgevers in de regio meer stageplaatsen hebben weten te regelen. 7 van de 17 opleidingen hanteren geen numerus fixus. De verwachting van de hogescholen is dat alle studenten die dat willen, een verpleegkundeopleiding kunnen volgen.   68 Wat doet u als het aantal leraren dat instroomt in het onderwijs niet drastisch toeneemt?   Het onderwijs heeft, net als andere sectoren binnen het sociaal domein, te maken met personeelstekorten. De oorzaken hiervan zijn divers en er zijn verschillen tussen regio’s in de mate waarin tekorten zich voordoen en in de ideeën die er zijn over de aanpak. Er is dan ook een combinatie van landelijke en regionale maatregelen nodig. Deze zijn uitgewerkt in een plan van aanpak langs zes lijnen. De komende periode wordt bezien of dit voldoende is om de tekorten aan te pakken en of er aanvullende maatregelen nodig zijn. Op 21 februari is over deze aanpak met uw Tweede Kamer gesproken. Dit gesprek wordt voortgezet op 14 maart.   69 Welke concrete, meetbare doelstelling heeft u met het oog op de vermindering van de werkdruk in het onderwijs?   Op dit moment is de minister voor basis- en voortgezet onderwijs en media samen met sociale partners in gesprek over de invulling en vormgeving van de monitoring én evaluatie van het Werkdrukakkoord in het primair onderwijs. Gezamenlijk zoeken zij naar de juiste indicatoren die recht doen aan de grootte van de investering van dit kabinet én de complexiteit van het thema werkdruk. Het PO-front en de minister vinden het van groot belang dat de leraar in de klas het verschil gaat merken van de vrijgekomen middelen. Daarom hebben wij expliciet afgesproken dat het gesprek hierover plaats moet vinden in de teams op school en dat de PMR instemmingsrecht heeft op het bestedingsplan voor de werkdrukmiddelen. Dat is een belangrijke randvoorwaarde om de inzet tot een succes te maken Ook in het voortgezet onderwijs is werkdruk onder leraren een belangrijk thema. De oorzaken en oplossingen kunnen per school en per leraar verschillen. De komende periode gaan we daarom het gesprek met scholen aan over wat zij zelf kunnen doen in de organisatie van het onderwijs waardoor de werkdruk verlaagd wordt. We ondersteunen scholen en leraren daarbij door de brochure Ruimte in Regels, waarin we laten zien welke ruimte regelgeving biedt om meer ontwikkeltijd te vinden. Deze brochure zal voor aanvang van het schooljaar 2018/2019 gereed zijn.   70 Bent u alsnog bereid om middelen voor verlaging van de werkdruk in het onderwijs eerder dan 2021 beschikbaar te stellen, zodat echt snel iets aan de werkdruk kan worden gedaan ?   Zoals opgenomen in de brief van 9 februari j.l. aan uw Kamer, is inmiddels met vakbonden en PO-Raad een akkoord bereikt over het terugdringen van de werkdruk in het primair onderwijs. Onderdeel van dit akkoord is dat de scholen eerder dan gepland kunnen beschikken over extra geld.   Scholen in het primair onderwijs krijgen met ingang van het komend schooljaar € 237 miljoen extra om werkdruk aan te pakken. In het schooljaar 2021-2022 loopt dit bedrag op tot een structureel budget van € 430 miljoen. Een gemiddelde school van 225 leerlingen krijgt volgend schooljaar circa € 35.000 extra, oplopend tot structureel circa € 65.000 met ingang van het schooljaar 2021-2022. Deze oploop komt beschikbaar nadat aangetoond is dat de middelen conform het werkdrukakkoord zijn ingezet.   72 Hoe zorgt u dat ieder kind zwemonderwijs krijgt?   Het is belangrijk dat kinderen voldoende zwemvaardig zijn. Ouders hebben daar primair de verantwoordelijkheid voor. Het is aan gemeenten, scholen en ouders om te bepalen hoe het zwemonderwijs op lokaal niveau wordt vormgegeven. In deze situatie behaalt 95 procent van de kinderen momenteel het zwemdiploma A. Op lokaal niveau vinden verschillende stimuleringsprojecten plaats om kinderen aan te moedigen meer te gaan zwemmen.   85 Hoe zorgt u dat bibliotheken, muziekscholen, cultuur- en poppodia, de (gemeentelijke) musea en cultuureducatie voor iedereen beschikbaar blijven?   De onderwerpen betreffen in hoofdzaak lokaal beleid. De gemeenten beslissen over het voorzieningenniveau op basis van de lokale behoeften en mogelijkheden. Op het gebied van de openbare bibliotheken geeft de rijksoverheid structuur en richting door middel van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, die vanaf 2015 van kracht is. Onlangs heeft de Tweede Kamer een midterm review over de eerste twee jaar (2015 en 2016) van deze wet ontvangen.[1] Daaruit blijkt onder meer dat de openbare bibliotheek in Nederland met circa 1.200 vestigingen een goed gespreide en toegankelijke voorziening is.   87 Hoe gaat u zorgen dat leerlingen op meerdere niveaus eindexamen kunnen doen, zodat niet het vak waar je het slechtste in bent meer bepaalt wat je later wel of niet kunt worden?   Zoals tijdens het AO Examens van 7 februari aan uw Kamer is gemeld, gaat OCW onderzoek doen naar het diploma met vakken op verschillende niveaus en welke gevolgen dat zou hebben voor de instroom in het vervolgonderwijs. De verwachting is dat de onderzoeksopzet rond de zomer gereed is en wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.   Dit onderzoek raakt aan de fundamentele discussie over de toekomstbestendigheid van het examenstelsel en aan het civiel effect van diploma's. Dit vraagt om een zorgvuldig en gefaseerd gesprek dat ik na de zomer met uw Kamer wil voortzetten, mede op basis van het advies van de Onderwijsraad over toetsing en examinering, dat voor de zomer gereed zal zijn. Hiernaast wordt in de scholen dit jaar actief meer maatwerk gestimuleerd, uit deze praktijk kunnen we ook veel leren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de net ingevoerde terugvaloptie voor leerlingen die vakken op een hoger niveau doen, het experiment regelluw en de pilot recht op maatwerk van de VO-raad. Ik zal uw Kamer actief blijven informeren over de voortgang en uitkomsten van deze maatregelen en experimenten.   91 Wat doet u om te zorgen dat vrouwen een eerlijke kans krijgen op topfuncties en is het kabinet zelf bereid daarbij het goede voorbeeld te geven?   De minister van OCW is samen met VNO-NCW de aanpak Vrouwen naar de Top begonnen en subsidieert Stichting Topvrouwen (opgericht door VNO-NCW en stichting Talent naar de Top) die, met behulp van twee kwartiermakers, de doorstroom van vrouwen naar de top van het bedrijfsleven voortdurend agendeert bij belangrijke stakeholders (als bestuurders, commissarissen, werving- en selectiebureaus, accountants en aandeelhouders). De voortgang van het aandeel vrouwen aan de top van grote vennootschappen wordt jaarlijks gemonitord. De naleving van de Wet bestuur en toezicht waarin een streefcijfer van 30 procent vrouwen is vastgelegd voor de top van het bedrijfsleven is teleurstellend. De voortgang is te beperkt. Een meerderheid van de bedrijven lijkt naleving van de wet geen prioriteit te geven (nòch ‘pas toe’ nòch ‘leg uit’). Er moet dus wat veranderen. Het kabinet zal in 2019 de balans opmaken. Het kabinet is bereid dan met stevige maatregelen te komen als de naleving nog onvoldoende is.   95 Hoe gaat u zorgen dat het aantal thuiszitters in het onderwijs wordt beperkt en alle kinderen de kans krijgen zich maximaal te ontplooien?   Op 19 februari jl. bent u geïnformeerd over het schoolverzuim in het funderend onderwijs. In deze brief is ook ingegaan op de uitvoering van het Thuiszitterspact. Onder andere met het organiseren van een nieuwe Thuiszitterstop samen met de partners van het pact en het regelen van doorzettingsmacht voor passend onderwijs, worden scholen, samenwerkingsverbanden en gemeentes ondersteund in het beperken van het aantal thuiszitters.   97 Hoe gaat u zorgen dat ieder kind zeker kan zijn van muziekonderwijs?   De komende tijd zal worden bekeken hoe de ambitie van muziekonderwijs voor ieder kind voortgezet kan worden zodat goed muziekonderwijs vanzelfsprekend onderdeel gaat uitmaken van cultuureducatie op school. Door middel van onderzoek en evaluatie zal de minister zich de komende periode een beeld vormen van de effecten die programma’s als Méér Muziek in de Klas hebben veroorzaakt op het muziekonderwijs, ook met betrekking tot het bereik. Daarbij worden in ieder geval de resultaten van de effectmeting van de eerste aanvraagronde van de huidige regeling Impuls Muziekonderwijs gebruikt. Deze meting wordt op dit moment uitgevoerd door het Fonds voor Cultuurparticipatie. Als er ook meer bekend is over de effecten van de tweede en derde aanvraagronde wordt er een besluit genomen over de manier waarop muziekonderwijs na 2020 het beste ondersteund kan worden. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar de mogelijkheden van zowel publieke als private middelen en worden de huidige ontwikkelingen binnen het onderwijscurriculum nauwgezet gevolgd.   [1] https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33846-52.pdf
  Datum: 19 maart 2018    Nr: 2018D20436    Indiener: I.K. van Engelshoven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van de leden Kwint en Beckerman over kwaliteit van en toezicht op de archeologie nav advertentie Volkskrant d.d. 26 januari ´Creatief met archeologie, tips voor projectontwikkelaars´

Vragen van de leden Kwint en Beckerman (beiden SP) aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over kwaliteit van en toezicht op de archeologie n.a.v. advertentie 'Creatief met archeologie, tips voor projectontwikkelaars´(ingezonden 30 januari 2018)   1   Bent u bekend met de advertentie ´Creatief met archeologie, tips voor projectontwikkelaars´en bijbehorende website? 1)   Ja   2   Deelt u de mening dat het schadelijk is voor ons archeologisch erfgoed en voor archeologen wanneer de tips in de advertentie worden opgevolgd?   De advertentie roept op tot zaken die beslist niet zijn toegestaan. Dat is schadelijk voor de archeologische sector, en ook voor de ontwikkelaars en gemeenten die over het algemeen te goeder trouw handelen waar het hun verantwoordelijkheden ten aanzien van archeologisch onderzoek aangaat. Indien de tips in de advertentie worden opgevolgd kan er bovendien schade ontstaan aan het archeologisch erfgoed.   3   Aan wie behoort volgens u ons archeologisch erfgoed toe?   Het archeologisch erfgoed behoort toe aan ons allemaal.   4   Bent u bekend met het bericht dat een bouwer in Boxtel begonnen was met bouwen, zonder dat het volgens de vergunning verplichte archeologisch onderzoek had plaatsgevonden, waarmee twee wetten zijn overtreden? 2)   Deze casus was mij niet bekend. Uit het bericht waar u naar verwijst blijkt dat de gemeente hier in overleg met de bouwer tot een oplossing is gekomen.   5   Hoe vaak komt het voor dat ontwikkelaars beginnen met werkzaamheden, voordat verplicht archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden? Indien geen cijfers beschikbaar zijn, bent u bereid dit te inventariseren?   Er zijn geen exacte cijfers beschikbaar over de mate waarin het voorkomt dat ontwikkelaars beginnen met werkzaamheden, voordat verplicht archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Dit komt doordat gemeenten zelf toezicht houden op de naleving van de Omgevingsvergunning.   Om toch uw vraag te kunnen beantwoorden heb ik navraag gedaan bij het Convent van Gemeentelijk Archeologen (CGA) naar hun ervaringen. Daaruit komt het beeld naar voren dat het beslist geen schering en inslag is dat ontwikkelaars beginnen met werkzaamheden, voordat verplicht archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden, maar het komt wel voor en er zijn diverse gevallen waarin gemeenten een bouwstop hebben opgelegd om te voorkomen dat archeologische sporen ongezien verloren gaan. Tegelijkertijd benadrukt het CGA dat het in de praktijk zelden zwart of wit is en dat goed contact tussen gemeente en projectontwikkelaar van groot belang is.   6   Bent u van mening dat toezicht in de archeologie moet worden versterkt?   Toezicht en handhaving op de Omgevingsvergunning is belegd bij de gemeente. Het Interbestuurlijk Toezicht op de taakuitvoering door gemeenten is belegd bij de provincie. Ik zelf ben verantwoordelijk voor het stelseltoezicht. Ik heb geen aanleiding om te denken dat dit stelsel niet voldoet. Wel zie ik twee aandachtspunten.   Ten eerste blijkt er in de praktijk voor zowel ontwikkelaars als gemeenten onduidelijkheid te bestaan over de vraag wat er precies onder archeologisch onderzoek valt, wanneer dat door een gemeente via een Omgevingsvergunning verplicht wordt gesteld. Voor alle duidelijkheid: onder archeologisch onderzoek valt, conform de Erfgoedwet, het opgraven zelf, het conserveren van vondsten, de uitwerking én de rapportage. Pas na het afronden van al deze zaken is aan de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek voldaan.   Ten tweede kwam uit de eerder genoemde consultatie binnen het CGA weliswaar het algemene beeld dat er geen structurele problemen zijn ten aanzien van het naleven van archeologische voorschriften. Toch zijn er ook gevallen waarbij er discussie ontstaat binnen de archeologische sector. Dan gaat het bijvoorbeeld over de vraag of het door een gemeente vereiste archeologische onderzoek voldoende kenniswinst oplevert, of dat dit in de belangenafweging het onderspit heeft gedolven. Ik vind dergelijke gevallen waarin er sprake is van discussie bij uitstek interessant. Samen met het CGA zal ik een aantal van deze casussen uitdiepen, niet om er over te oordelen, maar om er van te leren.   Tot slot vermeld ik graag dat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verschillende instrumenten heeft ontwikkeld om gemeenten te ondersteunen bij vergunningverlening en handhaving: https://archeologieinnederland.nl/preventie-en-handhaving. Ik zal de RCE vragen deze nogmaals bij gemeenten onder de aandacht te brengen. Ook het Convent van Gemeentelijke Archeologen ondersteunt gemeenten.   7   Wat is uw oordeel over het ontbreken van wettelijk vereist beleid en een gebrek aan personeel bij een deel van de gemeenten? Welke acties wilt u ondernemen? 3)   Op grond van de huidige Wet Ruimtelijke Ordening, het Besluit Ruimtelijke Ordening en de Erfgoedwet en straks de Omgevingswet moeten gemeenten in hun omgevingsbeleid rekening houden met cultureel erfgoed, waaronder archeologie. Dat zij hiervoor beleid formuleren ligt voor de hand, maar is niet wettelijk verplicht. Uit het door u aangehaalde onderzoek door de Erfgoedinspectie blijkt dat desalniettemin circa 80% van de gemeenten in 2015 actueel archeologiebeleid heeft vastgesteld. Dat percentage ligt lager voor het beschikbare personeel: minimaal 60% van de gemeenten heeft voldoende personeel beschikbaar voor de taakuitvoering op het gebied van archeologie. Dat een gemeente geen eigen personeel beschikbaar heeft hoeft echter niet te betekenen dat de taakuitvoering in het geding komt. Er zijn namelijk veel gemeenten die de taken ten aanzien van archeologie beleggen bij een regionale dienst of andere voorziening.   Uit bovenstaande volgt dat ik geen noodzaak zie tot het ondernemen van acties.   8   Zijn gemeenten volgens u voldoende toegerust om hun taken op het gebied van archeologie uit te voeren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?   Ik heb geen aanleiding om aan te nemen dat gemeenten momenteel onvoldoende toegerust zijn om hun taken op het gebied van archeologie uit te voeren. Maar daarmee is niet gezegd dat de keuzes die gemeenten in de praktijk moeten maken altijd gemakkelijk of eenduidig zijn. Het CGA stimuleert het gesprek hierover tussen de verschillende gemeentelijk archeologen. Ook de RCE draagt hier door middel van platformbijeenkomsten aan bij.   9   Zijn andere overheden die toezicht houden hiervoor voldoende toegerust?   Ik heb geen aanleiding om aan te nemen dat andere overheden momenteel onvoldoende toegerust zijn om hun taken op het gebied van archeologie uit te voeren. Zie ook het antwoord op vraag 8.   10   Kunt u aangeven wat de resultaten zijn van de ´pilots strafrechtelijke handhaving´ met gemeenten? 4)   In 2015 is de Erfgoedinspectie een ‘pilot strafrechtelijke handhaving’ gestart met als doel te bezien of de Erfgoedinspectie gemeenten kan helpen het aangifteproces van overtredingen van de Erfgoedwet (illegale opgravingen) en de doorgeleiding naar het OM te vergemakkelijken. Hiertoe zijn afspraken gemaakt met de archeologische dienst van één gemeente. De pilot heeft uiteindelijk niet geleid tot een daadwerkelijk beroep op de Erfgoedinspectie, omdat er zich sindsdien in die gemeente geen situaties meer hebben voorgedaan die daar aanleiding toe gaven.   Gemeenten kunnen nog steeds de hulp van de Erfgoedinspectie inroepen als overwogen wordt om aangifte te doen. In dit kader is ook van belang dat het meldsysteem DICE, dat door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed wordt beheerd, sinds december 2015 is opengesteld voor alle gemeenten die illegale opgravingen willen melden. Meldingen in DICE worden direct gedeeld met de Erfgoedinspectie. Na een melding neemt de Erfgoedinspectie contact op met de gemeente om de mogelijkheden voor strafrechtelijke handhaving te bespreken.   11   Zou u opnieuw, net als in 2008 is gebeurd met het invoeren van een bestuurlijke boete, willen verkennen welke instrumenten mogelijk kunnen helpen bij het aanpakken van overtredingen? 5)   Ik zie daartoe geen noodzaak. De analyse zoals die in 2008 is gemaakt is op hoofdlijnen nog altijd actueel. De belangrijkste verandering sindsdien is de invoering van certificering in de sector archeologie. Het is nu nog te vroeg om daar positieve of negatieve effecten van vast te stellen. Zie het antwoord op vraag 6 voor de huidige rolverdeling ten aanzien van het toezicht en de handhaving. Via de RCE zijn diverse kennisproducten en voorbeeldvoorschriften beschikbaar voor vergunningverlening en handhaving. Ook kunnen gemeenten aankloppen bij de RCE voor advies.   12   Wat gaat u doen om, soms grootschalig, schenden van het opgraafverbod tegen te gaan? 6)   Ik bestrijd dat er nu sprake is van het grootschalig schenden van het opgraafverbod. Ik heb hiervoor geen aanwijzingen. De cijfers in het inspectierapport waar u naar verwijst, hebben betrekking op de situatie vóór inwerkingtreding van de Erfgoedwet. Zij zijn sterk vertekend doordat in de betreffende periode alle vondsten die gedaan werden door detector amateurs nog als illegaal werden geteld, terwijl er in de praktijk sprake was van een gedoogbeleid. Inmiddels is de regelgeving hierop aangepast.   13   Welke stappen gaat u zetten om de kwaliteit van programma's van eisen (wettelijk) te borgen?   De criteria waaraan een Programma van Eisen (PvE) moet voldoen staan beschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en zijn uitgewerkt in een apart protocol. Bij de invoering van certificering in de archeologie is er bewust voor gekozen dit protocol niet verplicht te stellen. Het gaat immers niet om handelingen waarop het opgraafverbod van toepassing is. Bovendien zouden met een verplicht certificaat voor deze werkzaamheden, gemeenten gehouden zijn om zich te certificeren voor een medebewindstaak. Dat vind ik niet wenselijk. Desalniettemin heeft een grote groep archeologische bedrijven en gemeenten zich vrijwillig gecertificeerd voor het opstellen van PvE’s.   Gemeenten kunnen overigens wel als voorschrift bij de Omgevingsvergunning opnemen dat een archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd op basis van een door de gemeente goedgekeurd PvE dat moet voldoen aan de KNA. Aanvullende eis zou kunnen zijn dat dit PvE door een daartoe gecertificeerd bedrijf is opgesteld.   14   Herkent u zich in de conclusie van de erfgoedinspectie dat 'het geheugen in gevaar komt', omdat er 'een behoorlijke achterstand in de aanlevering van eindrapporten en de overdracht van vondsten aan depots' is? 7) Welke acties wilt u ondernemen om deze achterstanden weg te werken en niet te laten ontstaan?   Dat er in de afgelopen jaren een achterstand is ontstaan in het aanleveren van rapporten bij de minister van OCW klopt. De oorzaken hiervan waren grotendeels technisch van aard. Inmiddels zijn deze problemen opgelost en worden de achterstanden ingelopen door middel van gerichte rappelacties. Ook is het uitstel- en handhavingsbeleid ten aanzien van het aanleveren van rapporten aangescherpt.   De Erfgoedinspectie signaleerde dat van 2011 op 2013 de achterstanden in de overdracht van vondstmateriaal naar provinciale depots afnamen en die lijn zal naar verwachting door de invoering van certificering worden voortgezet. Overigens zijn de provincies als eigenaar van de vondsten hier als eerste aan zet. In bovengenoemde rappelbrieven wordt steeds ook gemeld dat men gehouden is de vondsten tijdig over te dragen.   15   Kunt u aangeven in hoeverre deze achterstanden ontstaan doordat de prijs die opdrachtgevers willen betalen voor de uitwerking van archeologische opdrachten sterk onder druk staat?   Zoals het antwoord op vraag 14 blijkt waren technische problemen de belangrijkste oorzaak van het niet tijdig kunnen aanleveren van rapporten. Het is niet uit te sluiten dat krappere winstmarges een rol hebben gespeeld, maar dit valt niet aan te tonen. Bovendien kunnen er ook nog andere oorzaken zijn, zoals bijvoorbeeld onduidelijke contract- of vergunningvoorwaarden die tot discussie leidden tussen opdrachtgever en opdrachtnemer.   16   Kunt u een oordeel geven over de 35 incidenten die van 2008 tot en met 2016 zijn geregistreerd in de Database Incidenten Cultureel Erfgoed (DICE)? 8) Hoe zijn bewuste overtredingen aangepakt?   In 12 gevallen ging het om een illegale opgraving, in acht gevallen om illegale graafwerkzaamheden (geen monumentenvergunning aanwezig) ten behoeve van een ontwikkeling en in drie gevallen om metaaldetectie binnen de grenzen van een archeologisch rijksmonument. De overige incidenten zijn variabel van aard, van brandstichting op hunebedden waardoor schade aan de dekstenen ontstond, tot kinderen die een fietscrossbaan op een Motte hadden aangelegd.   In alle gevallen ging het om overtredingen op archeologische rijksmonumenten. Daarbij ging het niet steeds om bewuste overtredingen. Ook was in veel gevallen niet te achterhalen wanneer de overtreding had plaatsgevonden. Daar waar de dader achterhaald kon worden is eerst geprobeerd om in den minne tot een oplossing te komen, bijvoorbeeld door herstel van de oude situatie na documentatie van de schade. In acht gevallen is aangifte gedaan bij de politie. In drie gevallen is overgegaan tot handhaving, bijvoorbeeld door het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.   17   Welke acties gaat u ondernemen tegen oneigenlijk gebruik van het middel archeologisch begeleiden van de bouw om te voorkomen dat informatie over ons verleden verloren gaat? 9)   De Erfgoedbalans 2017 constateerde dat er in de periode 2011-2013 een toename is in het aantal archeologische begeleidingen. Daarbij is aangegeven dat deze ontwikkeling in de gaten wordt gehouden. Uit interviews onder gemeentelijke en provinciale archeologen blijkt dat overwegingen van tijd en geld bij de keuze voor archeologische begeleiding een rol spelen, maar daarnaast ook overwegingen omtrent arbeidsveiligheid, waaronder de aanwezigheid van bodemvervuiling, overlast voor omwonenden en de beschikbaarheid van uitvoerend personeel. Kortom, het beeld is vooralsnog niet dat in alle gevallen sprake is van oneigenlijk gebruik.   18   In haar jaarverslag 2013-2014 oordeelde erfgoedinspectie: 'in de onderwaterarcheologie zijn de problemen van onrechtmatig opgraven groot', hebben de sindsdien genomen stappen ervoor gezorgd dat de problemen door onrechtmatig opgraven zijn opgelost? 10)   Met de Erfgoedwet die op 1 juli 2016 van kracht is gegaan is het opgravingsverbod zodanig aangepast dat vervolging van overtredingen onder water makkelijker is geworden. Tegelijkertijd zijn de contacten en de samenwerking die vanuit de RCE met de verschillende duikgroepen bestaan geïntensiveerd. De komende jaren moet blijken of dit afdoende is geweest.   19   Heeft u eerder aangegeven om voor eind 2017 afspraken te maken over het behoud van dit erfgoed? Zijn deze afspraken gemaakt en kunt u deze met ons delen? 11)   Er wordt samen met provincies, gemeenten en Rijkswaterstaat gewerkt aan een aanpak ten aanzien van het maritiem erfgoed die in de brief over het traject Erfgoed Telt, die uw Kamer dit voorjaar zal ontvangen zullen worden toegelicht.   20   Heeft u eerder geconcludeerd dat 'als gevolg van de marktwerking de kwaliteit van archeologisch onderzoek onder druk kan komen te staan´? Wat gaat u doen om dit probleem te onderzoeken en aan te pakken? 12)   Om meer zicht op te krijgen op de vraag of de kwaliteit onder druk zou kunnen komen te staan, ga ik onderzoek doen naar de kwaliteit van onderzoek en rapportages uit de periode voor invoering van certificering en de periode daarna. De uitkomst hiervan zal beschikbaar komen via de Erfgoedmonitor.   1) Advertentie in Volkskrant d.d. 26 januari 2018 en website ´Creatief met archeologie, tips voor projectontwikkelaars´https://erfgoedissues.nl/ 2) Brabants Dagblad, 5 januari 2018: https://www.bd.nl/boxtel/boxtel-eist-archeologisch-onderzoek-voor-bouw-bedrijfspand-verder-gaat~ab24c513/ 3) https://vng.nl/files/vng/20171101-monitor-2015-2016-erfgoedinspectie-benchmark-gemeenten.pdf 4) https://magazines.erfgoedinspectie.nl/jaarverslag-erfgoedinspectie/2016/01/archeologische-opgravingen 5) https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29259-36-b1.pdf   6) https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2015/11/09/de-staat-van-over-erfgoed-en-archieven-2015/de-staat-van-over-erfgoed-en-archieven-2015.pdf 7) https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2015/11/09/de-staat-van-over-erfgoed-en-archieven-2015/de-staat-van-over-erfgoed-en-archieven-2015.pdf 8) https://erfgoedmonitor.nl/indicatoren/geregistreerde-incidenten-archeologische-rijksmonumenten 9) https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2017/02/09/erfgoedbalans-2017/erfgoedbalans-2017.pdf 10) https://magazines.erfgoedinspectie.nl/jaarverslag-erfgoedinspectie/2015/01/archeologie 11) https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2017/09/07/beantwoording-schriftelijke-vragen-over-maritieme-archeologie/beantwoording-schriftelijke-vragen-over-maritieme-archeologie.pdf 12) https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2017/09/07/beantwoording-schriftelijke-vragen-over-maritieme-archeologie/beantwoording-schriftelijke-vragen-over-maritieme-archeologie.pdf
  Datum: 1 maart 2018    Nr: 2018D07253    Indiener: I.K. van Engelshoven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

NGbiologie - YouTube #10 Rekenen; 'inhoud' - YouTube Natuurkunde uitleg Algemeen 1: Grootheid en Eenheid - YouTube Cramer's Rule - 2x2 Linear System - YouTube Maten omrekenen: handig ezelsbruggetje (+PDF) - YouTube

Het leenstelsel, ook wel het feodale stelsel genoemd, heeft zich in Europa sinds de 6e eeuw ontwikkeld als een middel voor vorsten en andere machthebbers om strijdbare mannen aan zich te binden en zo hun eigen macht en aanzien te verhogen. Het feodale stelsel ontwikkelde zich in gemeenschappen waarin weinig geld in omloop was en bestond onder meer daarin dat land en daarop betrekking hebbende HET METRIEKE STELSEL geld 'duizendje' € 1.000,-- 'honderdje' € 100,-- 'tientje' € 10,-- 1 euro € 1,-- 'dubbeltje' € 0,10 1 eurocent € 0,01 betekenis kilo = 1.000 hecto = 100 deca = 10 1 deci = 1/ 10 centi = 1/ 100 milli = 1/ 1.000 gewicht/ massa kg hg dag gram dg cg mg lengte km hm dam meter dm cm mm oppervlakte hm² dam² m² (l x b) km² (ha) are (ca) dm² cm² mm² inhoud kl ... De gemeente Amsterdam beschikt daarmee over een financieel stelsel dat bestaat uit actuele en toegankelijke beleidskaders. De kaderstelling is thematisch ingedeeld, op de wijze die u in deze PDF aantreft. Per thema onderscheiden we een aantal onderwerpen waarvoor specifieke kaderstelling is geformuleerd. Metriek stelsel: 1 m 3: 10 <- Termen-> x 10 kilo hecto deca - deci centi milli 1000 100 10 0,1 0,01 0,001 : 10 <- Gewicht -> x 10 kg hg dag g dg cg mg 2 pond ons 1 pond=500 g 1 ons=100 g 1 kg=1000 g 1kg =1000 g 1 cg = 10 mg : 10 <- Lengte -> x 10 km hm dam m dm cm mm 1 km = 10 hm ... naleving van de overige sectoren binnen het Kwalibo -stelsel is het belangrijk om op korte termijn ook voor de overige BRL ¶V ILT -themaonderzoek en te laten verrichten . 5. Voor het uitvoeren van inspecties is het van groot belang dat bekend is waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Doordat er momenteel geen meldplicht voor het uitvoeren van (erkende) werkzaamheden is wordt de handhaving ...

[index] [3030] [4089] [7369] [5331] [614] [844] [2021] [6328] [7382] [1021]

NGbiologie - YouTube

Maten omrekenen - bekijk dit handige ezelsbruggetje voor het omrekenen van maten. Op de website kun je ook een PDF met oefensommen downloaden met sommen 'met... Ik ben dr. ir. Pascal van de Nieuwegiessen, docent Biologie en oprichter van NGbiologie. Op dit Youtube-kanaal bied ik je in korte video's de volledige (scho... Dit is de eerste video in de serie over het Metriek Stelsel. In deze video leren we wat het metriek stelsel precies is, en hoe je met alle lengtematen hierva... Een snelle samenvatting van het metriek stelsel. Omrekenen van maten, omtrek, oppervlakte en inhoud.-- Created using PowToon -- Free sign up at Omrekenen van maten, omtrek, oppervlakte en inhoud.-- Oefenvragen en meer uitleg? Ga naar https://meneerwietsma.nl/algemeen/grootheid-en-eenheid/ Inhoud video: - Uitleg over het verschil van grootheid en eenhe...

#